Peter Logghe

Volksvertegenwoordiger en fractieleider gemeenteraad te Roeselare

DE WISSELWERKING TUSSEN WETENSCHAP EN VLAAMSE BEWEGING
door Peter LOGGHE

sluit dit venster



DE CONCLUSIES OM TE STARTEN
Wetenschapshistoricus Roger-A. BLONDEAU vult zeker een leemte met zijn boek “Wetenschap en onderwijs in Vlaanderen na 1830 en in de Vlaamse Beweging” en wel om meerdere redenen :

1. Er kunnen bibliotheken gevuld met boeken over de Vlaamse Beweging vanuit politieke en/of culturele invalshoek, maar de rol van de wetenschappen in dit ontvoogdingsproces werd of wordt door de klassieke auteurs slechts en sourdine behandeld. Met boeken over de geschiedenis van de wetenschappen is het helemaal pover gesteld. Was het culturele luik van zeer groot belang in de jonge Vlaamse Beweging, de wetenschappen waren dat niet minder, maar dan wel op de achtergrond. Blondeau’s stelling is dat de wetenschappen ook een aspect van de Vlaamse Beweging waren, en dat de ontwikkeling van de wetenschappen en het wetenschapsbeleid een belangrijke rol heeft gespeeld in het aantrekken van de Vlaamse Beweging en de ontvoogding van ons volk. Net zoals een krachtiger Vlaamse Beweging ook zorgde voor een geprononceerder wetenschapsbeleid.

2. Verheugend verder is te mogen vaststellen dat de auteur, de heer BLONDEAU, in het geheel niet lijdt aan allerlei Belgische en/of Vlaamse ziektes. De Belgische ziekte bestaat hierin dat men de Vlaamse (of Zuid-Nederlandse) geschiedenis maar laat aanvangen in 1830. Voor 1830 had je alleen de donkerste Middeleeuwen. Het licht begon voor Vlaanderen pas te schijnen na die periode natuurlijk. De Vlaamse ziekte bestaat erin te geloven dat een identiteitsbesef in de Zuidelijke Nederlanden pas zou ontstaan zijn op het einde van de 19e eeuw of nog in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. De Nederlandse dimensie, die in de twee interpretaties ontbreekt, komt wel geregeld om het hoekje kijken in BLONDEAU’s werk. Een grote verdienste vinden we dat. Roger-A. Blondeau wijst er bijvoorbeeld in het inleidend hoofdstuk op dat tijdens de Geuzentijd (nog een geliefkoosd onderwerp van de heer BLONDEAU !) niet minder dan 10 % van de Zuidnederlandse bevolking naar het vrijere Noorden uitweek, en dat die 10 % de geletterden waren, de politieke, economische, culturele en wetenschappelijke elite van Vlaanderen was, die vertrok. Vlaanderen bloedde leeg, letterlijk en figuurlijk. Blondeau is duidelijk : “Het venijn kwam uit Frankrijk, die de Nederlandse bufferstaat wilde breken, en uit Brussel, een broeinest van uiteenlopende ballingen en revolutionairen, van wie velen uit Frankrijk afkomstig waren” (p.18)

En zo komen wij op de indeling van het boek, indeling die wij met u chronologisch willen overlopen :
1. periode 1830-1850 : Vlaanderen in België
2. periode 1850-1880 : Schuchtere stappen
3. periode 1880-1914 : Vlaamse achterstand en congressen
4. periode 1914-1940 : Universiteiten en academiën
5. na 1940 en naschrift : Vlaanderen in Europa

II. 1830-1850 : VLAANDEREN IN BELGIë

Het boek is eigenlijk opgevat als een aaneenschakeling van levensbeschrijvingen van verdienstelijke Vlamingen in de ontwikkeling van de wetenschappen in Vlaanderen (en de ontwikkeling van het onderwijs) aangevuld met de rol die deze Vlamingen of hun vakgebieden speelden in de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging. Elk chronologisch deel wordt degelijk ingeleid, waarin de tijdsgeest en het algemeen beschavingsniveau geschetst wordt. Een interessante benadering dus !

In de bespreking van de eerste periode, 1830-1850, wordt veel aandacht besteed aan allerlei instellingen en instituten (waarvan er vele nu nog bestaan), die hun ontstaan kennen in de Belgische revolutie, maar die in heel wat gevallen gewoon voortzetting of replica zijn van de instellingen met dezelfde doelstelling, maar dan ettelijke jaren voordien opgericht door onze Nederlandse staatsburgers en overheden. .
En de auteur drukt ons op het hart, niet uit het oog te verliezen dat “de aanhangers van de Franse cultuur, die zich onder Willem I bedreigd hadden gevoeld, een harde revanche (zouden) nemen.” (p. 21)

Dit was een periode van broodroof, van wraak en van politieke recuperatie. Slechts weinigen, die hadden gewerkt onder de Nederlanders, die naam en faam hadden verworven onder Willem I, konden zich overeind houden. Zo was er Philippe VAN DER MAELEN, een befaamd cartograaf, die de revolutie zou overleven en verder kon werken. Maar er is ook de zeer typerende geschiedenis van Jozef KLUYSKENS. Deze gekende chirurgijn was tevens hoogleraar onder koning Willem I. Een man met uitzonderlijke kwaliteiten, en alleen dat heeft hem waarschijnlijk gered. Hij bleef ook na 1830 aan als hoogleraar, maar er “ontstond een voelbare kilte om hem heen”. (p. 42)
Een sociale paria met andere woorden. Bij de oprichting van de Académie de Médicine de Belgique in 1841 werd Kluyskens niet als effectief lid opgenomen, maar wel als erelid. Een laat eresaluut omdat hij zo graag onder de Hollanders had gewerkt, en dat ook duidelijk liet merken ?

“In de eerste periode van de Belgische omwenteling, jaren van Fransdol hoerapatriottisme, werd er niet veel gepubliceerd in het Nederlands”, schrijft Roger-A. Blondeau en hij duidt ook aan waarom : uit vrees beschuldigd te worden van orangisme. Slechts Philip Blommaert, een Gentenaar, durft het aan het Nederlands te verdedigen. Veel letterkundigen werden “op transport” gezet naar afgelegen, provinciale plaatsjes, waar ze met hun orangistische overtuigingen weinig kwaad konden aanrichten.
Jan Frans Willems is wellicht het bekendste voorbeeld, en belandde uiteindelijk in Eeklo. Andere pesterijen zorgden ervoor dat de opleiding van zovele Vlaamse jongeren ondermaats bleef omdat ze onvoldoende Frans spraken.
Ook hier komt de religie even om de hoek piepen : veel Latijnse scholen werden bisschoppelijke colleges, bisschoppen hadden zeggenschap inzake leerprogramma’s. Zo kwamen Frans en Latijn meer op de voorgrond, wetenschappelijke vakken werden bijzaak, of verdwenen helemaal uit het lessenpakket.

Merkwaardige feiten ook : de eerste vrije universiteit (katholieke dus) kwam er niet te Leuven met z’n aloude traditie, maar te Mechelen, de kerkelijke hoofdstad van België. 16 dagen daarna ontstond die andere “vrije” universiteit, de ULB, de vrije universiteit te Brussel (volledig Franstalig natuurlijk). De toestand op die universiteiten die eerste jaren was allesbehalve rooskleurig : veel professoren waren gevlucht of als orangisten ontslagen, en door minder bevoegde lesgevers vervangen. De onderwijstaal was overal het Frans.
Blondeau vermeldt verder ook dat de autonomie van de universiteiten fel ingeperkt werd en vervangen werd door een vorm van centralistische controle. Zo werden de rectoren niet langer door de professoren gekozen, maar door de koning aangeduid. Professor Jacob Lodewijk Kesteloot, rector in 1834-1835 van de medische faculteit en gekend als overtuigd orangist en verdediger van de Nederlandse taal, werd in 1835 niet meer opgenomen onder de hoogleraren van de Gentse universiteit.

Opzienbarend zijn toch bepaalde uitingen van patriottisme. Zo antwoordde baron de Reiffenberg op een vraag van Willems rond een taalkwestie, dat hij op diens vraag niet kon ingaan, want : “Ce serait nous éloigner de la France, et puisque nous sommes destinés à devenir français, ce serait folie de donner à nos efforts une autre direction”.

Aan de Gentse universiteit bestond na de onafhankelijkheid geen faculteit wetenschappen meer, zodat Vlaamse jongeren voor wetenschappelijke studies naar Luik moesten. Pas in 1835 kwam een eerste faculteit tot stand, onder leiding van de gekende professor Joseph Platteau.

Tijdens de eerste periode van 1830 tot 1850 bloedde Vlaanderen, of wat daarvan overbleef, intellectueel, cultureel en politiek dood. De heropstanding, leert ons de auteur, zou zeer langzaam plaatsvinden.

III. 1850-1888 : DE EERSTE SCHUCHTERE STAPPEN

De meeste Vlaamsnationale of nationalistische geschriften laten de Vlaamse Beweging meestal pas vanaf deze data aanvangen. Deze geschiedenis is dan ook iets beter gekend, het zal volstaan te verwijzen naar markante data, gebeurtenissen en figuren. We kunnen dus iets sneller gaan.
Op het taalvlak zijn volgende feiten van belang :

- In 1846 overleed Jan Frans Willems, en in 1851 werd het naar hem genoemde Willemsfonds opgericht, met als doel de tanende Vlaamse Beweging nieuw leven in te blazen.
- De vereniging ’t Zal wel gaan werd in 1852 opgericht en ondernam als eerste pogingen om Nederlandse taalcursussen in te richten.

De auteur BLONDEAU laat opmerken dat het in deze periode is dat Vlaamse wetenschappers hun eerste Nederlandstalige publicaties op de markt brengen. En in 1854 werd een eerste facultatieve cours de littérature aan de Gentse universiteit in het Nederlands gehouden. Dankzij de steun van Vlaamsvoelende katholieke volksvertegenwoordigers. Paul Fredericq kan terecht vermelden : “De eerste bres is geschoten in de citadel van de Fransche wetenschap in Vlaanderen”.

Toch moet gezegd dat er zelfs bij Vlaamsgezinden weinig interesse bestond voor hetgeen in Nederland aan het gebeuren was. De initiatieven van Thorbecke, de hervorming van het onderwijssysteem bleven een gesloten boek voor België en ook voor het actieve Vlaanderen. Nederland nam opnieuw een serieuze voorsprong. Zo kregen tussen 1901 en 1913 zomaar eventjes 5 Nederlanders de Nobelprijs voor scheikunde of natuurkunde. In Vlaanderen niemand. Wij moesten ons tevreden stellen met slechts enkele studies in de Nederlandse taal, zoals van Van Heurck, een scheikundige, of van Jan-Ignaas De Beucker.

In 1862 tenslotte zal Julius Vuylsteke het Willemsfonds overnemen en er een strijdbare vereniging van maken. De katholieke reactie kon niet lang uitblijven : in 1875 zag het Davidsfonds het levenslicht.

In deze dertig jaren zien we slechts enkele schuchtere pogingen om het Vlaamse leven te organiseren. Noteer wel dat enkele beruchte rechtszaken op het einde van deze periode (Coucke-Goethals, etc.) eindelijk zullen zorgen voor de “ontsteking”.

IV. 1880-1914 : VLAAMSE ACHTERSTAND EN CONGRESSEN

Roger-A. BLONDEAU leidt ook dit hoofdstuk in met een algemeen tijdsbeeld. Charles Darwin ontwikkelt zijn evolutieleer, en zal ook in Vlaanderen vrij snel zijn aanhangers kennen. Niemand minder dan Felix Platteau, zoon van Joseph, mag tot de eersten gerekend worden. Ook Julius MacLeod, die een voorname rol in de Vlaamse Beweging zou spelen, behoorde tot die kring.

Een echte doorbraak op taalvlak vormden de zgn. “voorbereidende leergangen voor onderwijzer”, die werden ingericht in 1881-1882. Deze leergangen bevatten allemaal wetenschappelijke vakken, en werden allemaal in de Nederlandse taal gebracht. Professoren als dr. Verschaffelt, dr. Swarts, dr. Kickx, dr. MacLeod en Minnaert, brachten de toekomstige leraars de eerste beginselen bij. Een doorbraak ook omdat zowel leerlingen als leraars hier de overtuiging opdeden dat het Nederlands wel degelijk geschikt was voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.

Dit is ook de periode van de eerste taalwetten. Belangrijk voor de contekst van dit boek is de derde taalwet van 1883, die voorzag in een geleidelijke vernederlandsing van het middelbaar onderwijs. De wet toepassen had echter heel wat voeten in de aarde. De inspectie bvb. was volledig verfranst, de vernederlandsing verliep dus tergend traag.
In 1888 richtte Julius MacLeod de eerste echte Nederlandse leergang in aan de Gentse universiteit, een cursus plantkunde.
De Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde ontstaat in 1886. Belangrijke datum omdat hiermee een einde kwam aan de strijd met de zgn. taalparticularisten. Taal- en spellingskwestie werden voortaan vooral in deze academie opgelost. Dit instituut ging ook vaker de wetenschappelijke toer op.

BLONDEAU wijdt ettelijke bladzijden aan de zeer merkwaardige man die Julius MacLeod was. Hij introduceerde de wetenschappen in de Vlaamse Beweging. MacLeod was van Schotse afkomst, was van nature niet Vlaamsgezind, maar werd het onder invloed van de Waal Remouchamps, die hem wees op de achterstand van het onderwijs in Vlaanderen. MacLeod reisde naar Nederland en nam de verwezenlijkingen goed in zich op. Mede onder zijn invloed wordt in Vlaanderen steeds vaker gepleit voor een eigen Nederlandstalige hogeschool, vooral vanaf 1889. Naast MacLeod zetten zich De Raedt en Pol De Mont sterk achter deze idee. Het was dezelfde MacLeod die een zuiver wetenschappelijke stichting in het leven zou roepen, waar alles uitsluitend in de Nederlandse taal zou gebeuren. Een evenement van formaat in het België van de 19e eeuw !

En opnieuw onttrekt Blondeau Vlaamse wetenschappers uit die jaren aan de vergetelheid : De Cock, Staes, Van Heurck.

De invloed van de wetenschappen op de Vlaamse Beweging werd sterker, en groeide vooral in de strijd rond de vernederlandsing van de universiteiten. Er was – natuurlijk,…- ook intern strijd tussen een MacLeod en een De Raedt, die de strijd veel progressiever wou, en ook meer gericht wou zien op de economische uitbouw van Vlaanderen.
Kardinaal Mercier – maar dat is algemeen gekend in Vlaanderen – was tegen de vernederlandsing en vond het Nederlands maar een slaventaaltje. De vernederlandsing van de universiteit tenslotte zou tot verkiezingsthema uitgroeien in 1911 en stuwde de Meetingpartij sterk vooruit.

Julius MacLeod – we wezen er al op – legde veel contacten in Nederland en merkte er het hoge niveau van het onderwijs op. Waarom was er zo’n achterstand in Vlaanderen ? MacLeod zag twee redenen : de taalstrijd slokte enorm veel energie op en in katholieke middens leefde een verlammende vrees voor het calvinistische Noorden. De katholieke kerk werkte remmend op het wetenschappelijk onderzoek, alhoewel Bondeau niet wil veralgemenen.

In het begin van de 20e eeuw werden meer en meer vakken in het middelbaar onderwijs in de Nederlandse taal gegeven : wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis. Het Nederlands aan de universiteit was nog geen feit.

V. 1914_1940 : UNIVERSITEIT EN ACADEMIEëN

 

In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Gouverneur-Generaal von Bissing wilde Vlaanderen annexeren en toonde onmiddellijk belangstelling voor de Vlaamse Beweging. Het resultaat kent men : reeds op 2 december 1915 werd de vernederlandsing van de Gentse universiteit aangekondigd en in het academiejaar 1916 was het een feit. Slechts 6 professoren van het oude regime wilden aanblijven, en dus kwamen er veel nieuwe benoemingen. En merkwaardig : Roger-A. Blondeau neemt de “oude” en de “nieuwe” professoren in bescherming tegen het (belgicistisch) verwijt van landsverraad. En, merkt dezelfde auteur op, deze von Bissing-universiteit had een zeer hoog wetenschappelijk niveau.

In 1918 volgt opnieuw een periode van repressie (de eerste hadden wij al in 1830 achter de rug). Een voorbeeld van een gekraakte loopbaan is die van Caesar De Bruycker. Ook Marcel Minnaert, een heel-Nederlander, die naar Vlaamse onafhankelijkheid streefde, werd zwaar gestraft. Veel professoren weken uit naar Nederland (net zoals in de Geuzentijd). “Foute” Gentse studenten konden zich niet meer inschrijven aan andere universiteiten. Berufsverbot avant la lettre.
Voor het eindoordeel verwijst Blondeau naar Dosfel, die het volgende getuigde : “Men heeft de professoren van de Vlaamse universiteit gesmaad en beschimpt, men heeft de studenten gekleineerd, afgeschilderd als duitsgezinden. Nochtans zijn bijna allen uit liefde tot hun volk naar Gent gekomen, tegen het verzet van ouders en verwanten in” (p. 226).

De eerste troonrede van de koning na het beëindigen van de vijandelijkheden kondigde aan dat er eindelijk werk zou worden gemaakt van een Nederlandstalige universiteit. Maar nog steeds leefde er veel verzet en haat. En, merkwaardig, juist nu Vlaanderen onthoofd leek, volgden er heel wat verwezenlijkingen op taalvlak, in het onderwijs, op wetenschappelijk vlak. De eigen taal werd in taalwetten geschikt bevonden voor onderwijs.

Op 20 december 1920 werd de eerste volledig Nederlandstalige onderwijsinstelling opgericht : de Landbouwhogeschool te Gent.

De Nolfbarak is voor de historisch geïnteresseerden onder onze lezers zeker een begrip : het was een eerste stap, vindt Blondeau, maar de oplossing bevredigde eigenlijk niemand, de tegenstanders niet en ook de Vlaamsgezinden niet. Er kwam een Franstalige tegenzet met de Ecole des Hautes Etudes, ook in Gent, gefinancierd vanuit Parijs, en met volledige kandidaturen. Veel franstaligen vreesden een culturele en intellectuele opwaardering van het Vlaamse volk. Maar het verzet van de Gentse Ecole werd uiteindelijk in de kiem gesmoord.

Ook Leuven begon zich te roeren : in 1911 waren een tiental colleges in de Nederlandse taal, tussen 1921 en 1923 reeds 36 (incident Beeckmans).
Ook nu komt de verdienste Blondeau toe : hij gaat vrij uitvoerig in op flamingantische figuren als Nobelprijswinnaar Corneel Heymans, dr. Adriaan Martens, professor Elaut. Ondertussen was het middelbaar en lager onderwijs volledig vernederlandst en terecht zet de auteurs de vele onbekende pioniers in het zonnetje. Maar ook het wetenschappelijk onderzoek gebeurt steeds meer in de eigen taal, en wetenschappelijke verenigingen, die als paddestoelen uit de grond schoten, zorgden ervoor dat Vlaamse geleerden de wetenschappelijke veroveringen in de eigen Nederlandse taal voor het publiek brachten. Wetenschappelijke beoefening in de eigen taal : het was een verovering op zich.
En nog een doorbraak : de veelvuldige contacten met professoren en geleerden in Nederland. Uitwisselingen die met de jaren talrijker werden.

VI. NASCHRIFT – NA 1940

Leuven ontving steeds meer Vlaamse studenten en een Franstalige arrogante reactie hierop deed de toestand uit de hand lopen. Leuven Vlaams was geboren.

Roger-A. BLONDEAU is vrij karig met zijn conclusies : Er werd enorm veel weg afgelegd, waarvan de laatste voorlopige etappe de splitsing van de universiteit in Leuven en de staatshervormingen in 1970 en 1980 uitmaken. Maar de weg is niet voltooid. Vlaanderen moet met één stem in Europa kunnen spreken en kan dit momenteel niet. Met de wetenschappen in Vlaanderen blijft het erg mager gesteld, merkt de auteur op. Ook met de financiering van het wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen – maar dat wisten wij al een tijdje. Zo kreeg Vlaanderen van 1954 tot 1966 slechts 28,6 % van de fondsen van het NFWO (Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek) en slechts 31,19 % van de Universitaire Stichting. Op internationaal vlak verdedigt Vlaanderen zijn zaak ook niet steeds op de beste manier, lijkt het : de kredieten die NASA, ESRO of Euratom ter beschikking stelden, gingen voor 96 % naar de Franstaligen.

Er is dus nog wat werk aan de winkel.

Mogen wij Roger-A. BLONDEAU voor zijn interessant naslagwerk bedanken ? Een uitgebreide bibliografie sluit het werk af. Mogen wij het volgende citaat van Auguste COMTE meegeven als finale (wij vonden het ook als afsluiter bij Blondeau) : “On ne peut connaître ni apprendre une science, sans en connaître l’histoire”.

BLONDEAU, Roger-A., « Wetenschap en Onderwijs in Vlaanderen na 1830 en in de Vlaamse Beweging », Roesbrugge, 2001, drukkerij Schoonaert b.v.b.a., 327 pagina’s en 1080 F
Bestellen via secretariaat Bertinuscongres, Elie Balduck, Pitsenbosdreef 23, 8200 Brugge


sluit dit venster