Volksvertegenwoordiger en fractieleider gemeenteraad te Roeselare
"Decadentie, dat gebeurt als men het beest niet meer met zijn eigen naam durft te benoemen" Henry de Montherlant, Frans schrijver
"Het inschrijvingsrecht werd al in 1978 door de Raad van State ongrondwettelijk genoemd. Politiek gezien is het ook een absurd recht. Men kan toch moeilijk in Vlaanderen wonen en tegelijk Vlaanderen de rug toekeren?". Professor Hendrik Vuye in Knack (02.12.2009). Diezelfde professor Vuye verklaarde onlangs in De Morgen (10.02.2010): B-H-V-onderhandelaar Jean-Luc Dehaene "was altijd een tegenstander van het inschrijvingsrecht. In 1978 werd het Brusselverhaal van het Egmontpact op het CVP-congres afgeschoten door de vertegenwoordigers van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, die onder leiding van Jean-Luc Dehaene, fulmineerden tegen het inschrijvingsrecht". En nu zou dezelfde Dehaene datzelfde inschrijvingsrecht willen invoeren, hij die verklaarde dat "(.) de prijs in de rand - vooral het inschrijvingsrecht dat de Franstaligen verwierven - te hoog was."
VAN DE “GEARRANGEERDE OORLOG” NAAR DE TERUGKEER VAN DE “RECHTVAARDIGE OORLOG”
“Voor alles zouden staatsmannen de bekwaamheid moeten hebben om vrienden van vijanden te onderscheiden”, aldus Irving Kristol, een van de belangrijkste Amerikaanse neoconservatieven, in de publicatie van zoon William, The Weekly Standard (1). Carl Schmitt zou deze stelling zeker niet hebben ontkend, noch in zijn beschrijvend, noch in zijn normatief aspect. Volgens hem is de kern van de politiek niet zozeer te vinden in het feit van de vijandschap dan wel in de mogelijkheid van een onderscheid of van een discriminatie tussen (publieke) vriend of (publieke) vijand – niet in de strijd, maar in de mogelijkheid van een strijd. De politiek houdt met andere woorden het conflict in: een louter pacifistische visie van het sociale leven is een niet-politieke visie. Vanaf dan is de onzekerheid over de identiteit van de vijand één van de grootste uitdagingen.
Toch neemt Schmitt de befaamde formule van Clausewitz, voor wie de oorlog niets anders is dan de voortzetting van de politiek, maar dan met andere middelen, niet tot de zijne. Hij onderstreept integendeel dat deze definitie “de betekenis van de oorlog niet uitput voor diegene die de natuur van de politiek wenst te bepalen” (2). Net als de uitzonderingstoestand, waarover later meer, is de oorlog een grensbegrip (Grenzbegriff). Heel zeker ligt ze in het verlengde van de politiek, omdat die de vijandschap zelf inhoudt, maar ze is niet te beperken tot de politiek, want ze heeft haar eigen essentie. Schmitt herinnert eraan dat als de oorlog haar eigen optiek en regels heeft, deze “nochtans onderstellen dat de politieke beslissing, waarmee de vijand wordt aangeduid, haar vooraf gaat” (3). Door voor te houden dat de politiek, zelf in tijden van vrede, iets conflictueels heeft, neemt Schmitt een positie in die dicht bij die van Clausewitz ligt, maar die niet samenvalt. Ze neigt er veeleer toe om de positie van Clausewitz aan te vullen en haar te overstijgen. Clausewits ziet wat er aan politiek zit in de oorlog, Schmitt wat er aan conflict zit in de politiek.
Tezelfdertijd schetst Schmitt een politiek concept van de vijandschap. De vijand moet volgens hem politiek worden aanschouwd: hij moet een politieke vijand blijven, dit wil zeggen een tegenstander die men natuurlijk bestrijdt, maar met wie men op een bepaalde dag vrede moet sluiten; In de optiek van het ius publicum europaeum blijft de vrede duidelijk het doel van de oorlog: elke oorlog wordt met een vredesverdrag afgesloten. En omdat men alleen met een vijand vrede kan sluiten, moeten de oorlogvoerende partijen elkaar wederzijds erkennen. Dergelijke erkenning (van de Andere, zowel in zijn eigenheid als in zijn anders zijn) is de voorwaarde zelf van de mogelijkheid van vrede, want men kan alleen die vijand uitnodigen om vrede mee te sluiten, die men vooraf heeft erkend. Daardoor kan Schmitt stellen dat een absolute oorlog, een totale oorlog, een ramp zou zijn vanuit het strikt politieke standpunt, in die mate dat ze in zoverre ze de vijand wil vernietigen, tezelfdertijd ertoe leidt dat het constructief element van de politiek wordt vernietigd (4).
Over de “gearrangeerde oorlog”, kenmerkend voor de Westfaalse orde, gebaseerd op het ius publicum europaeum, die de antieke respublica christiana verving, zei Schmitt dat ze de oorlog was, waarin de oorlogvoerende partijen “elkaar als vijanden respecteren ook in de oorlog, zonder zich als criminelen te gedragen, zodat de oplossing van een vrede mogelijk is en zelfs de norm, de normale uitslag van de oorlog lijkt” (5). De oorlog, die wordt gevoerd volgens het oude recht van de burgers, gehoorzaamt aan de regels die bijvoorbeeld het gedrag van de troepen organiseert tegenover gevangenen en burgers, het respect regelt tegenover diegenen die neutraal zijn, de onschendbaarheid van de ambassadeurs, regels inzake de overgave van een versterkte plaats, de modaliteiten om een vredesverdrag te sluiten. Ze is er praktisch nooit op gericht om een soeverein vorst te verjagen of het regime van een land te wijzigen, maar is meestal gericht op zuiver territoriale gegevens. Uiteindelijk is een ze een exclusieve tussen-staatse realiteit. De staat heeft tezelfdertijd het monopolie van het legitieme geweld (Max Weber) en het monopolie van de politieke beslissing (Carl Schmitt), dit wil zeggen dat privé-oorlogen en familiale vendetta’s verboden zijn (verbod dat zich gaandeweg zou uitbreiden tot duels). Dat betekent ook dat individuen geen (publieke) vijanden meer kunnen zijn dan als leden of burgers van een staat, en dus niet meer individueel, op zichzelf. In de Westfaalse orde is het ius ad bellum toegekend aan elk soeverein vorst, want het maakt deel uit van de constitutieve vrijheden of rechten van de soevereine staat. Dit systeem sluit de idee zelf van een “internationale politie” volledig uit. Het erkent daarenboven de legitimiteit van de neutraliteit van derden.
In de ogen van Schmitt lag de immense verdienste van het ius publicum europaeum in de vervanging van de Middeleeuwse doctrine van de “rechtvaardige oorlog”, een concept van morele orde, een politieke doctrine van de “oorlog van de vormen” of een “oorlog volgens een bepaalde vorm” (Vattel). Het is op het moment dat de soevereine staten hun opwachting maakten, met name in relatie tot de Romeinse Kerk (ten gevolge van de ‘neutralisering’ van de godsdienstoorlogen die Europa verdeelden en vernietigden), dat deze nieuwe doctrine zich vestigde. Deze evolutie leidde er vooreerst toe de soevereine persoon en de soevereine gelijkheid van staten te erkennen, om daarna het accent niet zozeer te leggen op het ius ad bellum (de voorwaarden die oorlog mogelijk moesten maken) maar wel op het ius in bello (de voorwaarden waarin de oorlog zich in het vervolg moest afspelen). Vanaf dan is het niet meer de oorlog die aanvaard wordt als ze op de juiste manier wordt verklaard, maar de vijand die “juist” wordt in de mate waarin hij wordt erkend als dusdanig. De oorlog tussen staten is dus een fundamenteel symmetrische oorlog. Ze kopieert zich op het duel, die tegenstanders tegenover elkaar plaatst die wederzijds hun aequilitas erkennen, en die beiden regels volgen van dezelfde code. Dankzij het formele concept van de justus hostis, de erkende vijand, maakt het statuut van het publiek recht, dat aan de oorlog is toegekend, er een confrontatie van volgens regels tussen soevereine staten, die formeel gelijk zijn. Het is ten gronde “niet meer dan een duel tussen mannen van eer” (6).
In plaats van te geloven dat oorlog allerlei rechtsregels ontbindt, pleit Schmitt, zonder op te geven, voor het tegendeel, zodat oorlogen onderworpen zouden blijven aan het principe van het ius in bello. In die zin schreef Norbert Campagna: “De notie van Schmitt over de oorlog is een fundamenteel juridische notie” (7). Door grenzen op te leggen, die niet kunnen worden overschreden, heeft het ius publicum europaeum verhinderd dat gewapende conflicten ontaardden in totale oorlogen, dit betekent in een “blinde en wederzijdse uitroeiing”. Op die manier, schreef Carl Schmitt, is men ertoe gekomen “de oorlog te rationaliseren, te vermenselijken en in rechtsregels te gieten, d.w.z. haar af te bakenen” (8), haar dus te beperken. De doctrine van de “oorlog in de vorm” staat gelijk met een beperking van de oorlog, want ze maakt een vernietigingsoorlog onmogelijk. Het ius publicum europaeum is de katechon bij uitstek geweest, de grote rem op de terugkeer van de rechtvaardige oorlogen aan de kim van het juridisch universalisme. De oorlog is voor Schmitt nooit een doel op zichzelf. Ze heeft voor Schmitt geen waarde in de zin van een symbolische of esthetische vertegenwoordiging van het menselijk bestaan: “soldatenwaarden” zijn hem, wij schreven het vroeger reeds, totaal vreemd. Zelfs als men aanvaardt dat de oorlog soms onvermijdbaar is, staat een dergelijk concept van de oorlog duidelijk ten dienste van de vrede. Zelfs als politiek gedefinieerd wordt als element van conflictualiteit, wordt de oorlog als uitzondering geponeerd, als een tijdelijke beroering van een normale orde van zaken, die de vrede wel is.
De totale oorlog is een oorlog die door de tegenstelling met de “oorlog in de vorm”, geen enkele vorm van beperking kent. Het is het type van oorlog dat men geëxalteerd vindt in het bijbels monotheïsme in de vorm van de “verplichte heilige oorlog” (milhemit mitzva), gevoerd tegen de vijanden van God. De vijand is dan geen simpele tegenstander meer, met wie men zich uiteindelijk kan verzoenen, maar een figuur van het Kwade, die men moet uitroeien. Het boek van Josuah meer bepaald beschrijft heel uitgebreid de vernietiging van de vijand, de vernietiging van steden, de moord op vrouwen, kinderen en zelfs dieren, de verminking van lijken, allemaal zaken die het boek voorstelt als een heilige plicht (9). Het is uit een herwerking van deze bijbelse doctrine door christelijke theologen dat in de Middeleeuwen de doctrine van de rechtvaardige oorlog (bellum justum) zal ontstaan, die geen oorlog meer is die gewild is door God, maar een oorlog die legitiem kan worden gevoerd, als ze maar gehoorzaamt aan bepaalde regels en voorwaarden (10). De klassieke voorwaarden voor een rechtvaardige oorlog zijn de rechtvaardige oorzaak, de wettige zelfverdediging, de proportionaliteit van de middelen en ‘het laatste redmiddel’. De oorlog moet geleid worden door een competente overheid, ze moet als doel hebben het bereiken van de vrede, ze moet beantwoorden aan een “juiste intentie”, gehoorzamen aan bepaalde regels in het uitvoeren van de acties, geen nutteloze slachtoffers maken, enzovoort. Danilo Zolo noteert dat het ook bij voorkeur een oorlog te land is, en het de aanwezigheid onderstelt van een stabiele auctoritas spiritualis, namelijk die van de Romeinse katholieke kerk. Een belangrijk punt is dat de regels slechts gelden voor de volkeren van de respublica christiana, en dus niet toepasselijk zijn op de heidenen, op de “ongelovigen”, op de “barbaren” en op de “wilden”, en op piraten bijvoorbeeld, die er nooit aanspraak kunnen op maken. Er volgt uit dat alle kruistochten ipso facto rechtvaardige oorlogen zijn, waarbij de pauselijke mandaten als titels voor een territoriale verovering gelden van gebieden die aan niet-christelijke volkeren toebehoren. De vijandschap zonder beperkingen wordt daarmee buiten Europa geplaatst. De theorie van de rechtvaardige oorlog brengt dus een discriminatoire conceptie van de oorlog: als er rechtvaardige oorlogen zijn, dan zijn er ook onrechtvaardige. Ze deelt de mensheid ook op in 2 gedeelten: tegen de “ongelovigen” en de “barbaren” is alles toegestaan.
In zijn essai van 1938 over “de wende naar een discriminerende conceptie van de oorlog” (11) situeert Schmitt het begin van de ontbinding van het oude recht rond 1890. Dit proces krijgt zijn beslag tijdens de Eerste Wereldoorlog, die nog onder de traditionele vormen start, maar vanaf 1917 uitmondt in een oorlog van het nieuwe type. De periode van de nieuwe gerechtvaardigde oorlog start met de ondertekening van het Verdrag van Versailles en de wil van de geallieerde machten om keizer Wilhelm II voor het gerecht te dagen op beschuldiging van “zware inbreuk op de internationale moraal en de heiligheid van de verdragen”, in dit concrete geval dus omdat hij de oorlog is gestart. Hiermee werd één van de basisprincipes van het ius publicum europaeum verlaten, die zegt dat er op deze wereld geen macht mag bestaan die het recht heeft om een soeverein vorst te veroordelen (Hobbes: non est potestas super terram quae comparetur ei). Vanaf dit moment dus kan iemand die de oorlog verklaart, als een schuldige worden aanzien, die men moet veroordelen en sanctioneren als een crimineel. De gevolgen zullen desastreus zijn. “Wat Carl Schmitt stelt, aldus Norbert Campagna, (…) is dat oorlogen blijkbaar geen gevechten zijn tussen tegenstanders, die elkaar dezelfde rechten en hetzelfde statuut geven, maar dat ze steeds meer ertoe neigen om politieacties te worden door de agenten van de internationale orde tegen de staat die als onderdrukker wordt voorgesteld. De oorlog wordt op die manier in zekere zin een strijd tussen de machten van het Goede en de machten van het Kwade, tussen hen die het recht opeisen om te oordelen en zij die op de bank van de beschuldigden terecht moeten komen (12).
Is de rechtvaardige oorlog van de moderne tijden een militaire of een politieke notie? Men kan zeggen dat ze zeer duidelijk de eisen van de pure militaire strijd te buiten gaat, maar men stelt tezelfdertijd vast dat ze een beeld van de vijand impliceert die – ook zij – de pure politieke definitie die Schmitt aan de term geeft, te buiten gaat. De rechtvaardige oorlog is in feite een moreel begrip, waar het Kwade als absoluut wordt voorgesteld. Daarvan afgeleid is ze tevens antipolitiek, omdat ze eigenlijk zoekt om de vijand te vernietigen, wat het constitutief element van de politiek zelf vernietigt. De moderne, “discriminatoire” oorlog, stelt Carl Schmitt, is identiek aan een terugval van het juridisch concept van de justis hostis tot een bijna theologisch concept van de vijand. De ideologische toeëigening van het concept van oorlog en van het principe van er erkenning (of niet-erkenning) leidt onvermijdelijk tot de bepaling van de vijand als crimineel of een outlaw. “De actuele theorie van de rechtvaardige oorlog, aldus Schmitt, heeft als doel (…) de tegenstander, die een onrechtvaardige oorlog voert, te discrimineren. De oorlog zelf wordt een misdaad in de strafrechterlijke betekenis van het woord. De agressor wordt tot crimineel verklaard in de extreme beketenis van het strafrecht: hij wordt een outlaw, net als de piraat” (13).
Een vijand tot crimineel verklaren is eigenlijk een manier om hem elke politieke aanmatiging te ontkennen, om hem dus politiek te diskwalificeren. De crimineel heeft met andere woorden geen recht op een eigen opinie of idee, waar men de waarheidswaarde (of het tegenovergestelde) zou moeten kunnen analyseren. Hij is een intrinsiek schadelijk wezen. Als men vecht in naam van wat absoluut moet, dan wordt diegene, die men bevecht, absoluut gedevalueerd. Hij wordt een absolute non-waarde. De criminalisering van de vijand brengt met zich mee dat men gemakkelijk alls beperkingen (Hegungen) kan wegwerken, die door het Europees publiek recht werden voorzien. “De introductie (of hernieuwde introductie) van een moreel concept in het recht, aldus Jean-Fraçois Kervegan, onderstelt de toevlucht tot een nieuw concept van de vijand, die van de totale vijand, en eindigt met de omvorming van een “beperkte” oorlog, die de klassieke oorlog tussen soevereine staten – die juridisch op gelijk niveau stonden - was, in een totale oorlog” (14). Inderdaad, met het diaboliseren van de tegenstander wordt de vernietiging van de vijand, die met het Kwade wordt gelijkgesteld, een morele plicht. Dit is wat Schmitt vaststelt, als hij schrijft: “Oorlogen van dit type onderscheiden zich door hun geweld en hun onmenselijkheid om reden dat ze de politiek overstijgen en de vijand discrediteren op moreel en op andere vlakken, om er zo een onmenselijk monster van te maken. Daarom is het niet voldoende om deze vijand terug te slaan, maar moet ze definitief worden vernietigd” (15).
De rechtvaardige oorlog van de moderne tijden krijgt met andere woorden een dubbel karakter, dat van een overduidelijk morele oorlog en dat van een politieoperatie, bedoeld om de vijand, die voortaan als crimineel wordt beschouwd, te kastijden. Deze evolutie bereikte haar hoogtepunt met de radicale diskwalificatie van elke andere krijgszuchtige onderneming dan de verdediging, waarbij de agressieve oorlog, op eenzijdige wijze verklaard, met een misdaad wordt gelijkgesteld.
De idee dat men de oorlog definitief uit de wereld kan bannen, gaat minstens terug tot Erasmus, die in Querela Pacis verklaart dat “er geen vrede is, het mag dan al een onrechtvaardige zijn, die niet te verkiezen is boven zelfs de meest rechtvaardige oorlog”. Vanaf de 2de helft van de 18de eeuw verspreidt zich de idee dat het voor de mensheid wel mogelijk is te bewegen in de richting van wat de abt van Saint-Pierre en Immanuel Kant “de eeuwige vrede” noemden. Gedurende de volgende eeuw installeert deze overtuiging zich in heel verschillende milieus, maar die wel allemaal erfgenamen zijn van de Verlichtingsfilosofie. Zo denken de liberalen dat de “zachte handel” geleidelijk de naties bijeen zal brengen, terwijl de socialisten menen dat de toekomstige maatschappij alle conflicthaarden zal opheffen, terwijl zowel de enen als de anderen communiceren vanuit eenzelfde optimistische visie inzake “vooruitgang”. Hun hoop wordt door de geschiedenis van de 20ste eeuw overhoop gehaald, zonder dat de pacifistische illusie helemaal verdwijnt. Na de Eerste Wereldoorlog ziet men een hardnekkige strekking verder militeren voor de onderdrukking en de criminalisering van de oorlog. Het is de duidelijke nederlaag van deze positie en de vastberadenheid van het ideaal van een maatschappij waar de oorlog voor altijd verdwenen zou zijn, die hebben geleid tot de wedergeboorte van het begrip van de rechtvaardige oorlog en tot de legitimatie van de oorlog door een morele doctrine, die gelijkgesteld wordt aan de ideologie van de Rechten van de Mens. Ze maken opnieuw een totale vernietigingsoorlog mogelijk, temeer omdat de ontwikkeling van de techniek het momenteel mogelijk maakt vernietigingswapens van een ongekende kracht te fabriceren. Het is niet meer de rechtvaardige oorlog in de betekenis van de Middeleeuwen, die nog bepaalde beperkingen kende, maar het gaat over de rechtvaardige oorlog, gevoerd in naam van “de mensheid”, van “de vrijheid” en van “het recht”. Reeds in het Briand-Kelloggpact van 1928 was het niet zozeer de oorlog an sich die werd veroordeeld, als wel het recht van de staten en de naties om oorlog te voeren. Nationale oorlogen werden als onrechtvaardig gedecreteerd, terwijl de internationale oorlog, de oorlog geleid in naam van “de mensheid”, op slag de rechtvaardige oorlog bij uitstek werd. Het gevaar van dergelijke evolutie “is dat ze (…) aan de politiek de dodelijke valstrik van de eeuwige vrede opdringt, die alle kansen biedt om zich om te vormen tot een oorlog zonder einde” (16). Ze laat zich als volgt samenvatten: “Perpetual war for perpetual peace”.
Het is de overtuiging van Carl Schmitt dat “de politieke wereld geen universum is, maar een pluriversum” (17). De reden is dat de mensheid of een biologische entiteit is of een morele categorie. Het is geen politiek concept. Schmitt citeert de bekend uitspraak van Proudhon: “Wie mensheid zegt, wil misleiden”. Als een staat zijn vijand bestrijdt in naam van de mensheid, zegt hij, is het geen menselijke oorlog, maar eerder een waarin een staat, die tegenover zijn tegenstander staat, probeert een universeel concept te accapareren om zich hiermee te identificeren ten nadele van de vijand” (18). “Het concept van de mensheid, voegt hij eraan toe, is een bijzonder nuttig ideologisch instrument voor imperialistische neigingen”. De notie ‘vijand van de mensheid’ is in feite een contradictio in terminis, want per definitie kan de mensheid geen vijanden van de mensen tellen. Dat is waarom oorlogen in naam van de mensheid onveranderlijk uitlopen op het ontkennen bij de vijand van zijn kwaliteit als mens: strijden in naam van de mensheid leidt steeds en altijd tot het plaatsen van de vijand buiten de mensheid. En tegen iemand die buiten de mensheid wordt geplaatst, is alles toegelaten. Vanaf het tijdstip dat de vijand geen gewone tegenstander van het moment meer is, die zich de dag erop ook als medestander kan manifesteren, maar een toonbeeld van het Kwade, een “vijand van de mens”, een crimineel die gestraft moet worden, vanaf dat moment kunnen alle middelen om het doel te bereiken, worden ingezet” (19).
Reeds op 7 augustus 1793 stelde de conventionele Garnier de Saintes in Frankrijk aan de Conventie voor om de Engelse staatsman William Pitt tot “vijand van de menselijke soort” te verklaren, zodat eenieder het recht zou hebben om hem te vermoorden. Strijden in naam van de mensheid betekent in feite dat men zichzelf in de positie plaatst, waar men kan oordelen wat menselijk is. Dit is de paradox: elk discours dat pretendeert de grenzen tussen de mensen weg te vegen om de notie van “ons” op het geheel van de mensheid uit te breiden, leidt ertoe dat binnen de mensheid een scherpere breuklijn en uitsluiting wordt gecreëerd dan voorheen. “Het is slechts met de mens in de zin van de absolute mensheid dat het tegendeel van het concept zelf ontstaat, zijn specifieke vijand, de onmenselijke mens (Unmensch)”, schrijft Carl Schmitt (20). De oorlog in naam van de moraal is dus het type zelf van de meest onmenselijke oorlog. Het abstract universalisme maakt van vijanden absolute vijanden en maakt van “menselijke oorlogen” uitroeiïngsoorlogen. Naar het voorbeeld van het revolutionaire Frankrijk hebben de VSA voortdurend herinnerd aan het feit dat de zaak die zij verdedigden, conform de argumenten van de mensheid gebeurden. “De vlag van de VSA, aldus Woodrow Wilson, is niet alleen de vlag van Amerika, maar ook die van de mensheid” (21). “Wij zijn zeer snel op weg om de natie van de menselijke kruisvaarder te worden”, schreef Irving Babbitt in 1924 (22). “Het ideaal van Amerika is de hoop van de mensheid, bevestigde Georg W. Bush in een rede op 11 september 2002, een jaar na de aanslagen op New York en Washington.
In plaats van het over “de mensheid” te hebben, had Schmitt het evengoed over “de vrijheid” kunnen hebben. In de loop van de geschiedenis is de vrijheid ook constant door de VSA aangehaald om hun veroverings- en annexatieacties te rechtvaardigen. Het is door het concept van ‘het rijk van de vrijheid’, door Jefferson bedacht, dat ze hun eerste territoriale veroveringen op Spanje (Cuba) of Mexico (Texas) hebben gerechtvaardigd. Het is tevens in naam van de vrijheid dat ze in Vietnam zijn tussengekomen. In haar naam voerden ze oorlog in Irak en werd het land in chaos en burgeroorlog gestort. In zijn bericht over The State Of The Union (28.01.2003) zou Georg W. Bush zeggen: “De vrijheid waarop we ons beroemen, is geen geschenk van Amerika aan de wereld, het is een geschenk van God aan de wereld.”
Het is vanuit dit standpunt niet toevallig dat het tijdperk waar de rechten van de mens met zoveel kracht werden uitgeroepen, ook het tijdperk is die oorlogen heeft gekend die tot de meest onmenselijke moeten gerekend worden. Deze vaststelling, aldus Carl Schmitt, heeft niets paradoxaals, want het is als men vecht in naam van de mensheid, dat men erop ingesteld is om de vijanden te beschouwen als niet-meer-mensen (Unmenschen). Het zelfverklaard humanisme leidt tot een onmenselijkheid de facto. De oorlog tegen Kosovo in naam van “de rechten van de mens” heeft zich vertaald in een systematische verkrachting van de rechten van de Serviërs, wat gepaard ging met heel wat collateral damage. De oorlog tegen Irak in naam van “de vrijheid” liep uit op wat generaal Tommy Franks een ‘catastrophic success’ heeft genoemd. Een andere reden is dat er geen fundamentele tijdloze rechten kunnen zijn, want wat fundamenteel is, is steeds bepaald door gegevens van cultuur of tijdperk (23).
De totale oorlog betekent niet alleen een terugkeer naar de “natuurstaat”, zoals Hobbes ze zich voorstelde. Oorlogen waarin de vijand als een crimineel of een outlaw werd beschouwd, verraden daardoor hun theologisch of religieus karakter. Zoals de Kruistochten, de godsdienstoorlogen of de oorlogen gevoerd tegen de ketters of de heidenen zijn het oorlogen zonder grenzen, overdreven oorlogen, omdat ze gehoorzamen aan morele categorieën waartussen geen verzoening mogelijk is. “Er moet niet beklemtoond worden, aldus Norbert Campagna, dat het Kwade niet “gelijk in rechte” kan zijn met het Goede: de krachten die voor het Goede vechten, zijn bekleed met alle rechten, de krachten die aan de kant van het Kwade staan, hebben geen enkel recht, want het is onbehoorlijk om ook maar het minste recht aan de krachten van het Kwade te geven (…). De “Goeden” kunnen hun bommen op de burgerbevolking droppen, de “Slechten” hebben niet het recht dit te doen (…). Als het voorwerp van de oorlog rechtvaardig is, dan zijn alle vijandelijkheden die men uitvoert, hoe weinig zorg men ook besteedt aan de vormen, rechtvaardig ‘op zichzelf’” (24). De strijd in naam van het Goede laat toe niet alleen tussen te komen in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine staat (in naam van de mensheid, de vrijheid, de democratie of de rechten van de mens) maar laat ook toe beperkingen in te voeren op de vrijheden, om kampen in te richten om gevangenen zonder enig juridisch statuut op te sluiten, de burgerbevolking te bombarderen, industriële infrastructuur te vernietigen, het martelen van mensen opnieuw toe te laten, napalm of wit fosfor te gebruiken of projectielen van verarmd uranium, fragmentatiebommen en antipersoonsmijnen te gebruiken. In een publiek debat in 1996 door CBS georganiseerd, werd staatssecretaris Madeleine Albright ondervraagd door Leslie Stahl over de noodzaak om ter plaatse een blokkade tegen Irak op te zetten, die uiteindelijk 500.000 kinderen zou doden (“Men vertelde dat een half miljoen kinderen in Irak stierven. Dat zijn er meer dan in Hiroshima. Is een dergelijke prijs gerechtvaardigd?”). Haar antwoord was eigenlijk zonder voorgaande: “Het was een moeilijke keuze, maar we denken dat de prijs rechtvaardig was” (25).
De gevolgen van de gelijkstelling van de vijand met een schuldige, een crimineel die men mag martelen, zijn aanzienlijk. “Dit leidt ertoe”, aldus Jean-François Kervégan, “het internationaal recht om te vormen tot een aanhangsel van het strafrecht en de oorlog in een politieactie, die bedoeld is om de schuldige te straffen” (26). De repressie van misdrijven behoort meestal tot de bevoegdheid van de politie en daardoor nemen de militaire krachten meer en meer het karakter van een politiemacht. Van 1904 af verklaart Theodore Roosevelt dat de staten in de toekomst zich wel eens gedwongen zouden kunnen zien om de rol van internationale politie te gaan spelen. Tussen de twee wereldoorlogen, ten tijde van het Briand-Kellogg-pact (1928), leidde “het verbod op oorlogen” oorlogvoerende partijen ertoe om hun gecriminaliseerde acties anders te definiëren, namelijk als internationale politieacties. Vandaag stelt men, vooral in het kader van de strijd tegen het terrorisme, een revelerend verdwijnen vast van de grens tussen politie en leger: terwijl de politie steeds meer de interne orde met militaire middelen handhaaft, onderneemt het leger oorlogen die regelmatig voorgesteld worden als internationale politieacties.
Op hetzelfde moment verdwijnt ook de grens tussen binnenlandse en buitenlandse politiek, tussen een oorlog met vreemde machten en een burgeroorlog. Of zoals Claude Polin vaststelt: “De nieuwe oorlogen zijn en kunnen alleen maar universeel (mondiaal), meedogenloos, grenzeloos (totaal), en zonder regels (het zijn internationale burgeroorlogen) zijn” (27). De rechtvaardige oorlog, onderstreept Carl Schmitt op meer dan één plaats, leidt onvermijdbaar tot een burgeroorlog alleen al omwille van het simpele feit dat ze gevoerd kan worden zonder te letten op de vormen van het jus in bello. En onder deze regels van de “oorlog in de goede vorm” was het onderscheid tussen burger en militair of tussen strijder en niet-strijder essentieel. Dit onderscheid verdwijnt automatisch in de rechtvaardige oorlogen van de moderne tijden, waarbij men ertoe neigt om de ganse bevolking van de vijand als schuldig aan te duiden. Terugvallen op luchtbombardementen zonder onderscheid, met hun anonieme en ‘ongevoelige’ vernietigingskracht van het bombarderen zelf, is een van de logische consequenties van de evolutie.
Vandaag beleeft men aan de andere kant ook een uitbreiding met niet-staatse acteurs (ngo’s, privé-stichtingen, financiële groepen, pressiegroepen, enzovoort) in alle domeinen van het internationaal leven. Deze evolutie leidt ook tot een herdefiniëren van de relatie tussen het publieke en het privé-leven, de burger en de militair. Terwijl militairen steeds meer ‘technici’ worden of ‘burgers in uniform’, maakt men een versnelde privatisering mee van alles wat met veiligheid (of het voorkomen van onveiligheid) te maken heeft. De privatisering van de oorlog volgt niet alleen uit het feit dat op veel operatieplaatsen de strijders burgers zijn die de wapens hebben opgenomen, of dat bepaalde criminele organisaties voortaan beroep doen op echte privé-legers, zoals bij drugkartels het geval is. Een ander opmerkelijk feit is het verschijnen van privé-huurlingenlegers, vooral in de VSA, waar – bij gebrek aan dienst plicht – de effectieven van het gewone leger relatief laag liggen in verhouding tot de totale bevolking.
Privé-militaire organisaties (Private Military Companies of PMC), al dan niet onafhankelijk van het militair-industriële complex, bezetten vandaag een groeiende plaats in de Amerikaanse militaire architectuur en de nationale veiligheid – vooral omdat hun gebruik toelaat om de weerstand van het Congres om klassieke grondtroepen te sturen, zo omzeild kan worden. Het zakencijfer van de groepen, die soms zelfs beursgenoteerd zijn, groeit constant. Tot de gekendste rekenen wij Dyn Corp Inc., Military Professional Resources Inc. (MPRI), Kellogg Brown & Rott (KBR), Blackwater Security Consulting, Erinys, Sandline, Titan, Caci International, enzovoort. KBR dat behoort tot de multinational Halliburton, en waarin verschillende leden van de regering Bush persoonlijk aandelen hebben, tekende op 13 juni 2003 met het Pentagon een contract ter waarde van 200 miljoen dollar. Op haar eentje leidde de veiligheidsfirma Blackwater alleen al meer dan 50.000 huurlingen op. Deze privé-organisaties, steeds op zoek naar nieuwe markten op het vlak van veiligheid en defensie, waren de spil van de vernieuwde ontplooiing van de Amerikaanse macht in de Perzische Golf. Vandaag zijn ze speciaal actief in Irak, waar ongeveer 20.000 huurlingen hun logistieke steun aan de klassieke troepen verlenen, zonder echter speciale zorg voor middelen en zonder dat hun doden meegeteld worden in de verliezen van het Amerikaanse leger. Deze strijdende hulptroepen, waarvan het loon soms wel tot 1.000 dollar per dag oploopt, zijn aan geen enkele regel, conventie of beperking in hun optreden onderworpen. Hun statuut is hoogst paradoxaal, want hoewel ze legaal geëngageerd zijn door de VSA, worden ze door het internationaal recht voor illegale strijders gehouden (28). “De privé-militaire organisaties, waarvan de diensten, die door het Pentagon worden betaald, soms zeer hoog oplopen”, schrijft Sami Makki, “zijn essentieel geworden in de nieuwe internationale strategie, die berust op de mogelijkheid om op elk punt van de planeet met kracht toe te slaan” (29). De “markt” van huurlingen wordt momenteel geschat op 100 miljard dollar jaarlijks (30). Parallel, maar in omgekeerde zin, stelt men een militarisering van de menselijke hulp vast, te wijten aan het feit dat ontwikkelingshulp en andere menselijke hulp verworden zijn tot hulpmiddelen van de strijd tegen asymmetrische dreigingen, tezelfdertijd als multiplicators van invloed op de internationale scène.
Het verdampen van de grenzen tussen de klassieke categorieën van oorlogsvoering culmineert tenslotte in de mist van de noties zelf van oorlog en vrede; Als de vijand wordt beschouwd als een figuur van het Kwade, is het in feite niet meer mogelijk om vrede te sluiten, want vrede sluiten zou neerkomen op onderhandelen, op het afsluiten van pacten met het Kwade. In het oude gewoonterecht werd de nederlaag beschouwd als een “voldoende straf”. Vandaag moet men diegenen voor de rechtbank in beschuldiging stellen, die men als “schuldig aan de oorlog” wil stigmatiseren. Het onophoudelijk verder zetten van de oorlog, inbegrepen in tijden van vrede, wordt een morele verplichting. Carl Schmitt had het Verdrag van Versailles en het Briand-Kellogg-pact juist ingeschat als een tussenliggende toestand tussen oorlog en vrede, waarin de vrede een soort van voortzetting van de oorlog met andere middelen werd (31). Het is deze situatie die zich van dan af aan verder ontwikkelde om uit te groeien tot een bijna onbestaand onderscheid. De “rechtvaardige oorlog” van de moderne tijden eindigt niet meer met een vredesverdrag in de goede en juiste vorm, maar zet zich in vredestijd verder in andere vormen. Eens de wapens zwijgen, moeten de schuldigen nog worden gestraft en de bevolking eventueel “heropgevoed”. Oorlogen kennen dus geen einde meer: ze worden eindeloos, omdat het moeilijker wordt er een einde aan te maken, dan ze in vrede te laten voortduren. “Koude Oorlog” of “Warme Vrede”: de toestand van oorlogvoering wordt, in andere vormen, een permanente toestand. Tezelfdertijd is het ook het verdwijnen van de grens tussen uitzondering (de oorlog) en norm (de vrede). Enfin, gelet op de vaststelling dat volgens Schmitt de politiek de erkenning van de vijand inhoudt, komt men dus ook tot een totale omkering van de formule van Clausewitz over de oorlog als de voortzetting van de politiek met andere middelen: de oorlog wordt “de vernietiging van de politiek met alle middelen” (32).
De onduidelijkheid van de grens tussen oorlog en vrede is erger voor de notie van vrede dan voor de notie van oorlog. Eerst en vooral omdat de eerste niet dezelfde polysemie heeft als de tweede term (er is maar één vorm van vrede, terwijl er verschillende vormen van oorlog zijn). Verder omdat men oorlog voert om vrede te verkrijgen en geen vrede in het zicht van oorlog en omdat de finaliteit steeds klaarder moet gedefinieerd zijn dan de middelen om die te bereiken.
Er is geen twijfel over dat de kritiek van Carl Schmitt op de “rechtvaardige oorlog” van de moderne tijden, vooral en in de eerste plaats slaat op de VSA, want de immense meerderheid van de oorlogen die dit land heeft gevoerd, nooit geregelde oorlogen waren, “oorlog-duels”, maar oorlogen gevoerd tegen vijanden, die als criminelen werden beschouwd en werden vervolgd tot aan hun totale capitulatie. Men weet dat voor Carl Schmitt “alle pregnante concepten van de moderne staatsdoctrine de resultanten zijn van het seculariseren van de oude theologische begrippen” (‘Alle prägnanten Begriffe der modernen Staatslehre sind säkularisierte theologische Begriffe”). In sommige opzichten is de “politieke theologie” nog meer aanwezig in de VSA, in die mate waarin de eerste plaats die de overal aanwezige burgerlijke religie inneemt, zeer uitvoerig het messianistische karakter uitlegt van de Amerikaanse buitenlandse politiek, die de kloof tussen republikeinen en democraten overstijgt (of zelfs tussen isolationisten en interventionisten).
In zijn roman De Witte Kiel bevestigde Hermann Melville in de 19de eeuw: “Wij Amerikanen zijn in een bepaalde zin het uitverkoren en gepriviligieerde volk, het Israël van onze tijd. Wij dragen de Ark van de vrijheden van de wereld (…) God heeft ons – bij wijze van toekomstige erfenis – ganse domeinen van heidense politiek nagelaten (…) De rest van de wereld zal heel binnenkort in ons kielzog zitten”. In de VSA opgeroepen in de tweede helft van dezelfde 19de eeuw realiseert de doctrine van de Manifest Destiny (uitgeroepen in 1845 door Sean O’Sullivan) de fusie tussen imperialisme en goddelijke verkiezing, en geeft ze tezelfdertijd een religieuze en morele legitimiteit aan de politieke, culturele en commerciële verovering (33). Senator Albert J. Beveridge zal verklaren: “God heeft de volkeren met een Engelse taal geen duizend jaar voorbereid voor een nutteloze en onooglijke bewondering en zelfbespiegeling. Neen! Hij heeft van ons de meesterorganisators van de wereld gemaakt om een systeem op te zetten, daar waar chaos momenteel regeert” (34). De manier van kijken, die teruggaat tot de Pelgrim Fathers en de mythe van de “stad op de heuvel” is nooit uitgedoofd. Men kan ontelbare voorbeelden opsommen. Als het Beloofde Nieuwe land geloven de VSA dat hun waarden universeel zijn en denken ze dat ze een goddelijke missie hebben: met een gerust geweten zoeken ze hoe ze die kunnen opleggen aan de rest van de wereld (35). Verklaarde Ronald Reagan niet in 1980: “Kunnen we er nog aan twijfelen dat alleen een Goddelijke Voorzienigheid van dit stuk grond een eiland van de vrijheid heeft gemaakt?” Bill Clinton bevestigde naar aanleiding van de inhuldiging van zijn tweede mandaat dat “Amerika de enige onontbeerlijke natie geworden was”.
In het licht van de gebeurtenissen van 11 september 2001 accentueerde het samenvallen van neoconservatieven en protestantse kerken van de Evangelische strekking zich op een verbluffende wijze. De messianistische visie – erfgenaam van het puritanisme en de calvinistische doctrine van de voorbestemming, die zolang het cement van de consensus van de Amerikaanse maatschappij was – kende een heropbloei. De mythe van Amerika, “uitverkoren natie”, beladen met de opdracht om het Goede in de wereld te brengen, en waartegen de krachten van het Kwade niet tegen op kunnen omdat de Voorzienigheid de geboorte ervan begunstigde, werd gereactiveerd, net als in de periode van de Great Awakening van de jaren 1730-60, en dit met een zelden geziene kracht op politiek, diplomatiek als geopolitiek vlak. “Ons nationalisme”, aldus William Kristol en David Brooks, “is dat van een uitzonderlijke natie, gebaseerd op een universeel principe, op wat Lincoln heette ‘een absolute waarheid, toepasbaar op alle mensen van alle tijden’” (36). Deze visie wordt versterkt met de zekerheid drager te zijn van wat best is, zowel op politiek als op sociaal vlak. “De Amerikanen moeten niet loochenen dat van alle naties op deze aarde, de hunne de beste is (…) en het beste model voor de toekomst” (37). “Als de VSA het uitverkoren volk belichamen”, merkt Kenneth M. Coleman op, “dan is het bijna onmogelijk om een situatie te bedenken, waarin de belangen van de mensheid niet in hoge mate samenlopen met die van de VSA” (38). “Er is een waardesysteem waarmee men niet kan schipperen, en dat zijn de waarden die wij opeisen. En als die waarden goed genoeg zijn voor ons volk, dan moeten ze ook maar goed zijn voor de anderen” kon men onlangs in The Washington Post lezen (39). Ook voor deze visie kan men voldoende citaten vinden. Dergelijke atmosfeer lijkt op een fusie van nationalisme en messianisme. “Van gespierde arm van de christelijke messias is Oncle Sam tot messias zelf geëvolueerd” (40).
Deze messiaanse zekerheid het Goede te incarneren, deze tendens om de Amerikaanse principes te poneren als universele waarden, maakt van Amerika een ‘deugdzaam rijk’, waarin Claes G. Ryn op paradoxale wijze het kenmerk van een “nieuw jacobinisme” in heeft gezien (41). Dit jacobinisme bestaat erin om alle maatschappijen op het Amerikaanse model af te stemmen en om alle verschillende politieke culturen te doen verdwijnen ten voordele van “een planetaire democratie van de vrije markt” (market democracy). John Gray bevestigt zo dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich baseert op de ideologische overtuiging dat de “staat van de vrije markt” de enige legitieme manier van regeren is, alhoewel het eigenlijk slechts om een specifiek Amerikaanse constructie gaat (42). Inderdaad heeft men dikwijls de manier onderstreept, waarop een groot aantal Amerikanen de neiging hebben om in de VSA te verwarren met de wereld – een wereld die geacht wordt begrijpbaar te worden eens hij voldoende veramerikaanseerd werd. Historisch gezien heeft het universalisme steeds expansionisme en kolonialisme bevorderd. Officieel werden koloniale veroveringen gemotiveerd door de wens om de principes van ‘beschaving’ en ‘vooruitgang’ in de ganse wereld te verspreiden, begrippen die nauw verbonden zijn met de bijzondere cultuur met haar “universele” aanspraken. De specifieke waarden of aspiraties van een bepaalde grootmacht worden dus gelijk gesteld met morele wetten die verondersteld worden de wereld te regeren: een nationaal belang wordt universeel om uiteindelijk theoretisch het belang van de hele mensheid te belichamen. Uit deze manier om te kijken volgt automatisch dat kolonies kolonies zijn in eigen voordeel, en dat het belang van de onderdrukten juist daarin ligt. In dergelijk perspectief wordt elke weigering om dit vooropgestelde ‘beste’ model te aanvaarden, geïnterpreteerd als een uiting van mentale ziekte of perverse vijandschap. Een intrinsiek polymogene interpretatie. “Dat de ideologie van een deugdzaam rijk niet alleen de werelddominantie van Amerika impliceert, maar de omsmelting van de wereld in haar beeld, is een recept voor conflict en eeuwige oorlog”, aldus Ryn (43).
In de mate zelf waarin de VSA zich bedreigd voelen door wie anders is dan de VSA zelf, wensen zij zich eigenlijk ten gronde een wereld zonder vrije anderen, zonder dreigingen, wat onvermijdbaar neerkomt op een homogene wereld. Ze denken dat ze maar echt in veiligheid zullen zijn als alles, wat hen anders voorkomt, uitgeschakeld zal zijn, dit wil zeggen als de gehele wereld Amerikaans zal zijn geworden. Hun unilateralisme, meer nog dan hun interventionisme, kan niet anders uitgelegd worden.
Reeds tijdens het ondertekenen van het Briand-Kellogg-pact lieten de VSA, die weigerden lid te worden van de Volkenbond, weten dat ze zich het recht voorbehielden om zelf en alleen te oordelen wat een daad van agressie betekende en wat de erkenning of niet erkenning van een staat inhield. Nog recenter, in april 2001 namelijk, trokken ze zich terug uit de commissie van de Rechten van de Mens van de UNO. In november 2001 weigerden ze de ratificatie van een internationale conventie, getekend en geratificeerd door 144 landen, die de fabricatie, de opslag en de stockage van biologische wapens regelde, met als motief dat ze geen inspectie of controle wensten te accepteren van hun laboratoria of arsenalen. Enkele dagen later zegden zij eenzijdig het ABM-verdrag van 1972 op, dat de ontplooiing van een antirakettenverdediging aan banden legde. Ze weigerden ook het verdrag te ondertekenen dat antipersoonsmijnen verbood en dat in 2001 door 123 landen werd getekend, net als het Kyotoverdrag over de verdediging van het milieu en de opwarming van de atmosfeer. In mei 2001 weigerden zij elke discussie met hun Europese partners over het spionage- en afluisternetwerk Echelon. Inzake de productie van door hormonen verrijkt vlees en genetisch gewijzigd voedsel stellen zij zich ook op tégen de ganse wereld. Ze zijn ook het enige Westerse land dat nooit de conventie die discriminatie van vrouwen ongedaan wil maken, heeft ondertekend (1999-UNO) of de conventie van 1989 over de rechten van het kind. Ze hebben laten weten dat hun onderdanen niet vallen onder de jurisdisctie van de Internationale Strafrechtbank van Den Haag, waarvan ze nochtans de oprichting hebben gefinancierd. Tenslotte, zoals eenieder weet, was het zonder de goedkeuring van de UNO en tegen de grote meerderheid van de landen van de internationale gemeenschap in dat ze Irak besloten aan te vallen en te bezetten.
Vooral sinds het aantreden van George W. Bush lijkt de VSA vastbesloten om zich in zowat alle dossiers aan de internationale normen te onttrekken en zich te onttrekken aan die regels die ze wel aan anderen willen opleggen. Ze stellen zichzelf op als een ‘uitzonderingsland’, als een land dat door haar eigen natuur de vrijheid zou hebben om zich door geen enkele rechtsregel geëngageerd te weten die ze wel door anderen gerespecteerd wil zien. Steeds vaker verwerpen zij die regels als verplichtend, verouderd of irrelevant, die ze in het beste geval niet toepassen omdat ze niet van toepassing zouden zijn op hen. Ze nemen steeds vaker een strikt unilaterale houding aan. Geen twijfel erover dat in hun ogen de wereld zich eigenlijk aan hen moet aanpassen.
Zelfs als ze vinden – zoals we zoeven vaststelden – dat hun onderdanen niet be- en veroordeeld kunnen worden door een internationale strafinstantie, dan stellen de VSA in één en dezelfde adem toch dat burgers van andere landen wel vervolgd en veroordeeld kunnen worden door hun wetten (44). Het strafrecht wijzigden ze op die manier in een middel tot soevereiniteit. “Net als elke nationale staat”, stelt Jean-Claude Paye vast, “voeren de VSA een dubbel juridisch systeem in, een rechtssysteem voor de eigen burgers en een staat ontdaan van het recht voor de vreemdelingen. Klassiek articuleert het onderscheid tussen beide juridische ordes zich bij de andere naties op de staatsgrens. Voor de Amerikaanse staat echter is de grens geen geografisch gegeven. De voorrang van de Amerikaanse nationaliteit en de organisatie van de twee juridische ordes gebeuren niet op een welbepaald territorium, maar over de ganse wereld. Het gaat er niet alleen om dat Amerikaanse burgers kunnen ontsnappen aan de internationale rechtbanken (dus aan de gewone rechtspraak), maar ook om het recht van Amerikaanse overheden te doen erkennen om burgers van die landen te beoordelen door speciaal voor dit doel opgerichte uitzonderingsrechtbanken” (45).
Zoals men al heeft gemerkt, aarzelen de VSA niet om de vijand te bepalen, wat zeer Schmittiaans lijkt. Ze doen het met een vastberadenheid en een energie, die contrasteren met de softness en de onbeslistheid van de Europeanen. Maar de omschrijving van de vijand beantwoordt helemaal niet aan de criteria van Carl Schmitt. Het vertegenwoordigt bij hen niet aan een politieke daad bij uitstek – een daad, die aan geen andere dan politieke criteria kan beantwoorden – maar ze krijgen onmiddellijk een manicheïsche en morele dimensie. De vijand van Amerika is geen tegenstander van het moment, die zich bij gelegenheid in een geallieerde macht zou kunnen omvormen. Ze vermengt zich integendeel met het Kwade.
In zijn rede op 3 augustus 1983 had Ronald Reagan de USSR en de landen van het Oostblok als “het rijk van het Kwade” (evil empire) omschreven. Daarop heeft het Sovjetsysteem plaats moeten maken voor het “wereld terrorisme” en de ‘rogue states’, zo drukte Madeleine Albright het uit in 1994, maar de vijand wordt in dezelfde termen omschreven. Juist na 11.09 koos George W. Bush er voor om de oorlog tegen het terrorisme voor te stellen als een “strijd tussen het Goede en het Kwade” (“Goed en Kwaad hebben zich zelfden zo duidelijk getoond”). Hij vroeg aan de rest van de wereld om solidair te zijn in zijn “kruistocht” (“Voegt u bij onze kruistocht of bereidt u voor op een zekere confrontatie met de dood en vernietiging”). Hij evoceerde de aanslagen in New York en Washington toen hij verklaarde: “Vandaag heeft onze natie de duivel gezien”. Op 29 januari 2002 gebruikt de Amerikaanse president ook het begrip “axis of evil” – afkomstig van David Frum – dat achteraf nog veel zal worden gebruikt. In deze zienswijze is de wereld verdeeld in diegenen die militeren voor het Goede en diegenen die zich daartegen verzetten, en dus medestrijders van het Kwade zijn. Er is geen derde, geen neutrale positie mogelijk. “Ofwel bent u met ons, ofwel bent u terroristen”, zal George W. Bush bevestigen voor het Congres op 20 september 2002 (46).
Wat zeer merkwaardig is, is dat dit manicheïsch systeem, dat de wereld beschouwt als een slagveld dat in twee kampen is verdeeld, dat van het Goede en dat van het Kwade, zich evengoed in de visie van Osama Bin Laden bevindt als in die van Bush – en beide waarschijnlijk met een even gerust geweten. Bin Laden roept op tot de Jihad tegen de grote Satan, George W. Bush tot een Kruistocht tegen “de as van het Kwade”. Het parallellisme is opvallend. Op het eerste gezicht sluiten zowel de Amerikaanse president als de terroristische chef aan bij de idee dat de wereld en de politiek alleen kunnen worden begrepen in termen van vrienden en vijanden (47). Maar ook daar zou men wel eens ongelijk kunnen hebben om de invloed van Carl Schmitt te vermoeden. Want de wijze waarop de ene en de andere de vraag naar de vijand stellen, is helemaal niet Schmittiaans, want ze stellen ze in absolute termen en elimineren de kans op een derde of neutrale positie. Met andere woorden: ze geloven niet alleen in de onomkeerbaarheid van een conflictuele positie in het politieke leven, maar ze geloven ook dat deze conflictualiteit slechts twee kampen kent en dat ze onmiddellijk tot twee extremen komt. Het kenmerkende hier is het religieuze element en het feit dat dit in beide discours terug te vinden is (waarbij elk van de protagonisten natuurlijk de aanspraak van de andere hierop, ontzegt, want voor Bush is Bin Laden slechts een crimineel, en voor Bin Laden is Bush maar een vertegenwoordiger van een decadente, materialistische wereld)
Derrida zag juist dat de confrontatie Bush-Bin Laden in hoofdzaak “twee politieke theologieën” tegenover elkaar zet (48). Bruno Etienne, islamspecialist, deed dezelfde vaststelling: “De Jihad plaatst zich tegenover de kruistocht, het Goede tegenover het Kwade, Allah tegenover de Grote Satan, de Afghaanse fatwa tegen de ‘Texaanse’ fatwa, kortom, weij zijn getuige van een broederstrijd tussen God en God” (49). Carlo Galli, een uitstekend Carl Schmitt-kenner, heeft het over “apocalyptische theologie” (50). Islamitische fundamentalisten aan de ene kant, neo-conservatieve fundamentalisten aan de andere kant. Met de aanslagen van 11 september hebben de VSA zich voortaan ook gerealiseerd dat ze kwetsbaar zijn op de eigen bodem. Deze bewustwording van deze kwetsbaarheid, die contrasteert met de (gerechtvaardigde) overtuiging een “onvoorstelbare kracht en invloed zonder voorgaande in de wereld” (51) te bezitten, heeft geleid tot een herdefiniëren van strategische doelstellingen en actiemiddelen.
De nieuwe Amerikaanse strategie werd officieel verkondigd in een rapport gepubliceerd van september 2002. Er wordt in bevestigd, in de eerste bladzijden trouwens al, dat de VSA niet meer zullen aanvaarden dat hun vijanden eerst toeslaan. “Conform het gezond verstand en de regels van zelfverdediging zal Amerika reageren op bedreigingen die opduiken, en nog voor ze ten volle geconcretiseerd zijn” (52). De rechtvaardiging van deze nieuwe doctrine berust op de totaal dubbelzinnige notie van “immanente bedreiging”. “We moeten het concept van immanente dreiging aanpassen aan de mogelijkheden en de objectieven van onze tegenstanders van vandaag”, leest men in het document (53). In tegenstelling tot elke reactieve strategie of pure verdediging wordt de aanval de regel uit voorzorgsmaatregel. Men moet dus niet meer wachten tot de bedreiging zich concretiseert, men moet ze vermijden of anticiperen door als eerste toe te slaan. Dat is trouwens wat George W. Bush had laten uitschijnen in een toespraak voor de militaire academie van West Point in juni 2002.
Deze oriëntaties worden bevestigd in een rapport The National Defense Strategy of the United States of America van het Amerikaans departement voor Defensie in mart 2005 gepubliceerd, waar men kan lezen: “We zullen onze vijanden verslaan, wanneer, waar en op welke manier wij dit zullen verkiezen – om zo de voorwaarden voor onze veiligheid in de toekomst te bepalen” (54). De tekst onderstreept dat “Amerika een land in oorlog is” en dat “de aanslagen van 11 september de uitdagingen duidelijk hebben gemaakt waarmee we geconfronteerd zijn”. Er wordt gepreciseerd dat de soevereiniteit van die landen, die een “bedreiging” vormen, niet kan worden gerespecteerd (55). De ‘problem states’ worden omschreven als die die “vijandig zijn aan de Amerikaanse principes”. Het document herbevestigt het principe van de preventieve oorlog tegen “entiteiten die vijandig zijn tegenover de vrijheid, de democratie en andere Amerikaanse belangen” (56): “Aan onze tegenstanders de mogelijkheid geven om als eerste toe te slaan (…) is onaanvaardbaar. De VSA moeten op een aandachtige manier en op een veilige afstand opstaan tegen de gevaarlijkste uitdagingen, zonder (die uitdagingen) de mogelijkheid te geven om concreet te worden” (57). De cybernetische ruimte tenslotte wordt omschreven als een “nieuw theater voor de operaties” (58).
Het probleem is dat de doctrine van de “preventieve nationale oorlog” formeel tegenstrijdig is met het charter van de VN, waarvan artikel 51 de wettige verdediging slechts toelaat in het geval van aanval door een staat, en dus compleet de zogenaamde preventieve aanval uitsluit, zelfs als die zich zou baseren op het veronderstelde bestaan van een “immanente dreiging”; Het verbod om op legerkracht beroep te doen buiten de wettelijke zelfverdediging en buiten de collectieve actie op vraag van of onder bescherming van de Veiligheidsraad, komt eveneens in artikel 2 van het Charter van de UNO voor. De reden is dat in het moderne internationale recht de preventieve oorlog steeds gelijkgesteld wordt met een oorlog van agressie. Op het vlak van internationale relaties werd deze doctrine in werking gezet en van toepassing gemaakt in de Afghaanse oorlog, gevolgd door de tweede Iraakse oorlog, een “preventieve” onderneming in strijd met alle regels van het internationale recht en zonder steun van de UNO. Tegelijkertijd hebben de VSA de grootste druk uitgeoefend op hun geallieerden opdat zij eveneens de bepalingen van het internationale recht of zelfs hun eigen constitutionele regels zouden schenden – wat de grote meerderheid echter heeft geweigerd – in functie van het principe “wie niet voor ons is, is tegen ons”.
Als middel om invloed uit te oefenen of om een hegemonie op te leggen, lijkt het militaire apparaat onder George W. Bush het ook te hebben gehaald op de politiek, de diplomatie of zelfs de economie. Door een middel van permanent gebruik te worden, neigt de oorlog ertoe tot een doel op zich te worden, en lijkt ze de sociopolitieke noodzaak aan een vredesverdrag te doen verdwijnen. Tezelfdertijd wordt de Amerikaanse militaire macht alomtegenwoordig, d.w.z. in staat om overal en op elk moment tussen te komen door het simpele feit van de globalisering van de afstanden, wat de capaciteit inhoudt om de macht naar gelijk welk punt van de aardbol vooruit te werpen – dankzij een gesofistikeerde logistiek van expeditiekrachten (een netwerk van lucht- en haveninstallaties, militaire acties vanuit de ruimte, bijzonderheden over de doelwitten, systematisch beroep kunnen doen op informatie, enzovoort). De doctrine van de preventieve oorlog tenslotte toont duidelijk wie soeverein is. Om het in Schmittiaanse termen te zeggen: spreken over rogue states komt erop neer te zeggen dat soeverein is, wie unilateraal beslist wie een’schurk’ is.
De preventieve oorlog werd in de VSA dikwijls voorgesteld als een vorm van wettige zelfverdediging of als een militaire vorm van het “principe van de waarschuwing”. Het komt erop neer dat een virtueel of ondersteld delict gesanctioneerd wordt nog voor het werd uitgevoerd, wat de deur openzet voor alle mogelijke speculaties over de intentie van de “bedreigende” acteurs. Eén van de sciencefictionnovellen van Philip K. Dick, getiteld Minority Report (en waarvan een sciencefictionfilm werd gemaakt) verzint een toekomstige maatschappij waarin moordenaars kunnen worden gevat en opgesloten nog voor het plegen van de misdaden zelf. De “preventieve” strategie van de VSA, de strategie van het voorbehoedstype, is een vorm van uitbreiding van dit principe en botst ook op dezelfde grenzen: een moordenaar of een terrorist die men arresteert voor hij tot de daad overging, is voor de duidelijkheid zoniet ‘onschuldig’, in elk geval iemand die niets heeft gedaan op het moment dat men hem van zijn vrijheid beroofde. De strategie komt er eigenlijk op neer dat men mensen die de wet niet hebben geschonden, in de onmogelijkheid plaatst om schade toe te brengen, met als motief dat men overtuigd is dat ze de intentie hadden om iets te doen. Vanaf dan is het probleem dat zich stelt, dat van de appreciatie van het bewijs: hoe een intentie bewijzen? En hoe antwoorden op diegene die een intentie ontkrachten? Zoals Francesco Ragazzi schrijft: “De enig mogelijke rechtvaardiging voor een interventie is het onfeilbaar karakter van de voorspelling” (59). Maar hoe zou het kunnen? Om de oorlog tegen Irak te rechtvaardigen, heeft men een beroep gedaan op de “massadestructiewapens” van het regime van Saddam Hoessein, en dat die de intentie had om ze te gebruiken; Vandaag weet men dat dit argument niet meer dan een staatsleugen was (60).
Het opnemen door de VSA van deze rechtvaardiging van een preventieve aanval en van de aanval als eerste, betekende niet alleen een manifeste inbreuk van allerlei regels van het internationaal recht. Ze lijkt ook te getuigen van de wil om terug te vallen op het model van de Middeleeuwse “rechtvaardige oorlog” (61). “Het doel van de argumentatie van het Witte Huis”, aldus Francesco Ragazzi, “is juist om een daad, die overal en altijd als illegaal werd beschouwd, te doen passeren als een kenmerk van de ‘rechtvaardige oorlog’” (62). Dit is nochtans onmogelijk want de klassieke definitie van de “rechtvaardige oorlog”, bijvoorbeeld bij Grotius, sluit formeel de aanval als eerste staat en de preventieve oorlog als antwoord op de vrees of de onderstelling van een aanval, uit (63). Voor de oude theoretici van de rechtvaardige oorlog is de oorlog tezelfdertijd een (onvermijdelijk) kwaad, in bepaalde gevallen een (mogelijk) minder kwaad en een (legitiem) middel om aan het Kwade te remediëren. En ondanks de ‘morele’ achtergrond gehoorzaamt de rechtvaardige oorlog – zoals we hierboven al hebben gesteld – aan bepaalde principes en aan bepaalde voorwaarden. Niet alles is toegelaten: het bestaan zelf van de jus in bello spreekt het adagium inter arma silent leges (als de wapens spreken, zwijgen de wetten) tegen, waar zelfs de wettige zelfverdediging op een beperkte manier is gedefinieerd. De notie van de rechtvaardige oorlog koppelt trouwens terug naar de vraag wie gekwalificeerd is om vast te leggen dat een oorlog gerechtvaardigd is of niet. Wie beslist over de conformiteit van de “rechtvaardigheid” in elke situatie? In de Middeleeuwen kwam de beslissing meestal toe aan een derde met een onpartijdige faam. Maar George W. Bush verwerpt reeds vooraf de idee van een derde (bijvoorbeeld de UNO), net zoals hij de idee van de neutraliteit verwerpt. Van het moment dat de zorg om het karakter van een oorlog te bepalen, niet meer aan een derde wordt toevertrouwd, is alleen de dominerende macht ontvankelijk om de idee in te willigen dat een militaire onderneming al dan niet gerechtvaardigd is, waardoor de “rechtvaardige” oorlog niets meer is dan het recht van de sterkste.
Als de doctrine van de rechtvaardige oorlog vandaag terug onder ons is, maar nu gebaseerd op de ideologie van de Rechten van de Mens, dus op de moderne versie van het subjectief natuurrecht, gebeurt dit op een “wilde” manier, zonder rekening te houden met wat een oorlog in de Middeleeuwen “rechtvaardig” of juist niet maakte. Voortaan volstaat het, opdat een oorlog als rechtvaardig zou worden verklaard, dat ze wordt gevoerd in naam van de grote principes van de vrijheid, de menselijkheid of de democratie, ongeacht het feit dat de principes voortdurend geschonden worden tijdens de vijandelijkheden. De andere voorwaarden verloor men uit het oog. Eerder dan naar de Middeleeuwse oorlogen verwijst dit type van oorlog, met een zware ideologische en morele onderbouw, naar de uitroeiïngsoorlogen waarvan de Bijbel verhaalt. De retoriek van de “as van het Kwade” tegen de krachten van het Goede verwijst in dit verband naar de meest primitieve politieke theologie. Danilo Zolo schrijft hierover: “De nieuwe oorlog is ‘globaal’, in een betekenis die men monotheïstisch zou kunnen noemen vanwege het feit van de voortdurende referentie naar universele waarden vanwege de (Westerse) krachten die het promoten: de oorlog wordt niet meer gerechtvaardigd in naam van bijzondere belangen of doelstellingen, maar vanuit een superieur en onpartijdig standpunt en vanuit een waardesysteem waarvan men denkt dat het door de gehele mensheid wordt gedeeld. Het Weberiaans ‘polytheïsme’ van morele ordes en religieuze geloofsovertuigingen wordt systematisch ontkend door de theoretici van de globale oorlog. Een monotheïstische visie – vooral dan in hoofde van de bijbelse en streng christelijke actueel leidersgroep van de VSA, samengesteld uit methodisten, presbyterianen, episcopalisten en lutheranen – op de wereld staat haaks op het pluralisme aan waarden en de complexiteit van de wereld” (64).
Deze houding laat de VSA toe om hun soevereiniteit voor te stellen als een onschendbaar, door zichzelf uit te rusten met de macht om naar eigen goesting in de rest van de wereld tussen te komen – en dat met het risico om beschouwd te worden als voornaamste factor van de groeiende verruwing van de internationale betrekkingen. “De staat van internationale uitzondering”, aldus nog Francesco Ragazzi, “ zou dus deze logica zijn, gevat in de Amerikaanse strategie om de internationale normen op te heffen en tezelfdertijd de pretentie te hebben om acties te leiden die kracht van wet hebben (…) Het gaat er dus om de andere staten te onderwerpen aan het herwerkt internationaal recht, zonder er zelf in te passen” (65). “Het gaat er voor de VSA om, werkt hij zijn redenering af, zich het recht voor te behouden de regels van het internationaal recht buiten werking te zetten, om te strijden tegen een interne vijand, ‘intern’ met betrekking tot de vage grenzen die uitgetekend zijn door de Amerikaanse hegemonie en waar de ganse wereld eigenlijk de inhoud krijgt van intern” (66).
De nieuwe “preventieve” strategie van de administratie Bush trekt niet de lijn door van het oude, moraliserende Wilsonisme, en ook niet van het “realisme” van de verdedigers van het machtsevenwicht. Van het eerste kent zij zeker de essentieel morele overtuiging van een “universele missie”, getekend voor een uitverkoren natie, en van de tweede de zorg van een politiek die gericht is op de verdediging van het “nationaal belang” van de VSA, maar ze betekent vooral een onuitgegeven mengeling, op basis van het eenzijdig hegemonisme, waarvan het in werking stellen gelijk staat met het selectief terug invoeren van het jus ad omnia in de internationale politiek. Dit zal niet leiden tot een verandering, maar tot een vernietiging van de geschreven en ongeschreven fundamentele regels van het internationaal recht (67).
(vertaling: Peter Logghe)
Voetnoten:
(1) “The Neoconservative Persuasion” in The Weekly Standard, 25 augustus 2003
(2) La notion de politique, op. cit., pag. 197. Zie ook Carl Schmitt, “Clausewitz als politischer Denker, Bemerkungen und Hinweise”, in Der Staat, Berlin, VI, 1967, pag. 479-502.
(3) Ibidem, pag. 72.
(4) Cfr. Mika Ojakangas, A Philiosophy of Concrete Life. Carl Schmitt and the Political Tought of Late Modernity, SoPhi, Iyväskyla, 2004, pag. 71-72.
(5) Théorie du Partisan, in La notion de politique – Théorie du partisan, Calmann-Lévy, Parijs, 1972, 2e editie; Flammarion, Parijs, 1992, pag. 212.
(6) Ibidem, pag. 258.
(7) Le droit, la politique et la guerre. Deux chapitres sur la doctrine de Carl Schmitt, Presses de l’Université Laval, Quebec, 2004, pag. 12.
(8) Le Nomos de la Terre, Presses universitaires de France, Parijs, 2001, pag. 101.
(9) Cfr. D.J. Bedermann, International Law in Antiquity, Cambridge University Press, Cambridge, 2001; Danilo Zolo, “Una ‘guerra globale’ monoteistica”, in Iride, 2003, 2, pag. 223-240 (hernomen in Trasgressioni, Firenze, 42, januari-april 2006, pag. 17-33.
(10) Cfr. Yves leory de la Brière, Le droit de juste guerre. Tradition théologique et adaptions contemporaines, Pedone, Parijs, 1938; Frederick H. Russell, The Just War in the Middle Ages, Cambridge University Press, Cambridge, 1975; J.T. Johnson, Just War Tradition and the Restraint of War, Princeton University Press, Princeton, 1981. William Vincent O’Brien, The Conduct of Just and Limited War, Praeger, New York, 1981; Jean Bethke Elshtain (uitg.), Just War Theory, Basil Blackwell, Oxford, 1991; United States Military Academy (uitg.), Just War Reader, Thomson Learning, Stanford 2004; Jean-Philippe Schreiber (uitg.), Théologies de la guerre, Editions de l’Université de Bruxelles, Brussel, 2006.
(11) Die Wendung zum diskriminierenden Kriegsbegriff, Ducker u. Humblot, München-Leipzig, 1938 – tekst die werd hernomen in Carl Schmitt, Frieden oder Pazifismus? Arbeiten zum Völkerrecht und zur Internationalen Politik 1924-1978, uitgegeven door Günther Maschke, Duncker u. Humblot, Berlijn, 2005, pag. 518-597.
(12) Op. Cit., pag. 99
(13) Le Nomos de la Terre, op. Cit., pag. 122
(14) “Carl Schmitt et ‘l’unité du monde’”, in Les Etudes philosophiques, Parijs, januari 2004, pag. 11-12.
(15) La notion de politique, op. cit., pag. 75: “In een theologische oorlog, becommentarieert Norbert Campagna, wil ik een einde maken aan het bestaan van de andere, in een politieke oorlog daarentegen gaat het er slechts om een einde te maken aan het risico dat de andere uitmaakt. In het eerste geval is de andere de belichaming van het Kwade, terwijl in het tweede geval het slechts gaat om een risico dat ik tegemoet moet treden en waaraan ik me moet meten”, (op. Cit., pag. 129).
(16) Etienne Balibar, “Prolégomènes à la souveraineté: la frontière, l’état, le peuple” in Les Temps Modernes, Parijs, November 2000, pag. 55. Cfr. Ook Günter Maschke, “La décomposition du droit international”, interview verschenen in Krisis, Parijs, februari 2005, pag. 43-66.
(17) La notion de politique, op. Cit., pag. 95
(18) Ibidem, pag. 96
(19) Cfr. Danilo Zolo, Chi dice umanità. Guerra, diritto e ordine globale, Einaudi, Turijn, 2000 (Engelse vertaling: Invoking Humanity. War, Law and Global Order, Continuum, London, 2002); La giustizia dei vincitori. Da Norimberga a Baghdad, Roma-Bari, 2006.
(20) Le Nomos de la Terre, op. Cit., pag. 104
(21) Thanksgiving Proclamation, 7 november 1917, geciteerd in Arthur S. Link (uitg.), The Papers of Woodrow Wilson, Princeton University Press, Princeton 1966-1993.
(22) Democracy and Leadership (1924), Liberty Fund, Indianapolis, 1979, pag. 337.
(23) Op dit punt Norberto Bobbio, Il problema della guerra e le vie della pace, Bologna, 1970, pag. 119-157. Over het politiek gebruik van de retoriek van de rechten van de mens in relatie tot het denken van Carl Schmitt, zie ook William Rasch, “Human Rights as Geopolitics. Carl Schmitt and the Legal Form of American Supremacy” in Cultural Critique, 54, lente 2003, pag. 120-147.
(24) Op. cit., pag. 143 en 151.
(25) CBS uitzending “60 minutes”, 12 mei 1996.
(26) Jean-François Kervégan, “Carl Schmitt et ‘l’unité du monde’”, art. Cit., pag. 11.
(27) “La guerre et ses causes. Essai sur l’histoire des formes de la guerre en Occident” in La Guerre. Actes du colloque universitaire du 17 mai 2003, Association des Amis de Guy Augé, Parijs, 2004, pag. 94.
(28) Herinneren we ons dat de Conventie van Geneve, die door de VSA werd geratificeerd, het engagement van huurlingen verbiedt, die daardoor niet kunnen genieten van de bescherming die aan reguliere strijders wordt toegekend door de conventies van Den Haag van 1899 en van 1907.
(29) Militarisation de l’humanitaire, privatisation du militaire et stratégie globale des Etats-Unis, Centre Interdisciplinaire de recherches sur la paix et d’études stratégiques (CIRPES), Parijs, 2004, pag. 13. Volgens het Foreign Report, gepubliceerd door Jane’s Information Group, op een aanvangbudget van 85 miljard dollar die werden vrijgemaakt door de Amerikaanse administratie voor de militaire operaties in het Midden-Oosten, zouden 28 miljard dollar uitgekeerd geweest zijn aan huurlingen en aan individuen die in paramilitaire groepen zouden strijden.
(30) Cfr. Peter Singer, Corporate Warriors. The Rise of the Privatized Military Industry, Cornell University Press, Ithaca, 2003; Philippe Chapleua, Sociétés militaries privées. Enquête sur les soldats sans armies, Rocher, Parijs, 2005; Jean-Jacques Roche (uitg.), Insécurités publiques, sécurité privée? Essais sur les nouveaux mercenaries, Economica, Parijs, 2005; Olivier Hubac (uitg.), Mercenaires et polices privées. La privatisation de la violence armeé, universalis, Parijs, 2006; Xavier Renou, La privatisation de la violence. Mercenaires et sociétés privées au service du marché, Agone, Marseille, 2006. Over de privatisering van de spionage, zie Jean-Jacques Cécile, Espionnage business, Guerre économique et renseignement, Ellipses, Parijs, 2005.
(31) “Waar het niet meer mogelijk is, schrijft Carl Schmitt, om uit te maken of het oorlog of vrede is, wordt het nog moeilijker om te zeggen wat neutraliteit is” (La notion de politique, op. Cit., pag. 172). Over dit onderwerp Aurélie de Andrade, “het onderscheid vredestijd/oorlogstijd in het militair strafrecht: enkele elementen voor het begrip”, in Les Champs de Mars, Parijs, 2e semester, 2001, pag. 155-169), die onderstreept dat het ontstaan en de ontwikkeling van het internationaal strafrecht deze tendens nog hebben versterkt. “De vaststelling dringt zich op van de afwezigheid van het onderscheid tussen vredestijd en oorlogstijd in het internationaal strafrecht. Of het nu gaat om de statuten en de reglementen van de twee internationale strafrechtbanken van Den Haag of van Arusha, of in het internationaal strafhof, geen enkel spoor van het onderscheid” (pag. 180). Deze tendens werd in de jaren 70 van vorige eeuw al opgemerkt door Jules Monnerot, cfr. Inquisitions, José Corti, Parijs, 1974, pag. 95-96).
(32) De defensa, Brussel, 25 oktober 2004, pag. 19.
(33) Cfr. Anders Stephenson, Manifest Destiny, America Expansion and the Empire of Right, Hill & Wang, New York, 1995.
(34) Geciteerd door Claude G. Bowers, Beveridge and the Progressive Era, New York, 1932, pag. 121.
(35) Cfr. Clifford Longley, Chosen People, the Big Idea that Shapes England and America, Hodder & Stoughton, Londen, 2002; Stephen H. Webb, America’s Providence. A Nation with a Mission, Continuum, New York-Londen, 2004. Fuad Sha’ban, For Zion’s Sake. The Judeo-Christian Tradition in American Culture, Pluto Press, Londen, 2005.
(36) The Wall Street Journal, New York, 15 september 1997.
(37) David Rothkopf, “In Praise of Cultural Imperialism?” in Foreign Policy, Washington, zomer 1997.
(38) The Political Mythology of the Monroe Doctrine. Reflection on the Social Psychology of Domination, s.d., pag. 105.
(39) Washington Post, Washington, 19 november 2002.
(40) Dieu bénisse l’Amérique. La religion de la Maison Blanche, op. cit. pag. 248. Zie ook Tarek Mitri, Au nom de la Bible, au nom de l’Amérique, Labor et Fides, Geneve, 2004.
(41) America the Virtuous. The Crisis of Democracy and the Quest for Empire, Transaction Publ., New Brunswick, 2003.
(42) Al Qaeda and What it Means to be Modern, Faber, Londen, 2003, pag. 95.
(43) Op. cit., pag. 9
(44) De akkoorden over de uitzetting, die getekend warden op 25 juni 2003 tussen de Europese Unie en de VSA zijn vooral gewijd aan de materiële integratie van de Europese juridische apparaten in het Amerikaanse systeem van de strijd tegen het terrorisme.
(45) “Le droit pénal comme un acte constituant. Une mutation du droit penal”, art. Cit., pag. 286.
(46) Cfr. Andrew Norris, “’Us’ and ‘Them’”, in Metaphilosophy, Oxford, XXXV, 3, april 2004, pag. 249-272, die de reactie van de Bush-administratie onderzoekt op de aanslagen van 11 september en de manier om de vijand te diaboliseren in het licht van de gepubliceerde werken van Carl Schmitt in de jaren 20 van de vorige eeuw.
(47) Over dit onderwerp, zie Darius Rejali, “Friend and Ennemy, East or West: Political Realism in the Work of Usama bin Ladin, Carl Schmitt, Niccolo Machiavelli and kai-ka’us ibn Iskandar” in Historical Reflections – Réflexions juridiques, 2004, 3, pag. 425-443. Of ook nog, meer bepaald over Iran, William O. Beeman, The “Great Satan” vs. The “Mad Mullahs”, How the United States and Iran Demonize Each Other, Praeger, Greenwood, 2005.
(48) “Autoimmunità, suicidi reali e sombolici”, interview in oktober 2001 gepubliceerd in Giovanna Borradori, Filosofia del terrore. Dialoghi con Jürgen Habermas e Jacques Derrida, Laterzo, Roma-Bari, 2003, pag. 126 (Engelse vertaling: Philosophy in a Time of Terror. Dialogues with Jürgen Habermas and Jacques Derrida, University of Chicago Press, Chicago, 2003; Franse vertaling: Le ‘concept’ du 11 septembre. Dialogues à New York, octobre-décembre 2001, Galilée, Parijs, 2004).
(49) Geciteerd door François Heisbourg, Iperterrorismo, La nuova Guerra, Rome, 2002, pag. 53.
(50) La guerra globale, Laterzo, Rome-Bari, 2002, pag. 27.
(51) Rapport The National Security Strategy, U.S. Government, Washington, 2002, pag. 1.
(52) Ibidem, pag. IV
(53) Ibidem, pag. 15
(54) Rapport The National Defense Strategy of the United States of America, U.S. Government, Washington, 2005, pag. IV.
(55) Ibidem, pag. 1
(56) Ibidem, pag. 8
(57) Ibidem, pag. 9
(58) Ibidem, pag. 13
(59) “’The National Security Strategy of the USA’ of de onmogelijke ontmoeting van Grotius, Carl Schmitt en Philip K. Dick” in Cultures et Conflits, Parijs, 18 mei 2005. Zie ook Betty Glad en Chris J. Dolan (uitg.), Striking First. The Pre-Emption and Preventive War Doctrines and the Reshaping of U.S. Foreign Policy, Palgrave, Basingstoke, 2005.
(60) Zelfs David Rumsfeld heeft uiteindelijk toegegeven dat de vooropgestelde banden tussen Al-Qaida en het Irak van Saddam Hoessein weinig waarschijnlijk waren (The Guardian, 6 oktober 2004).
(61) De notie van “rechtvaardige oorlog” heeft het voorwerp uitgemaakt van een herdefiniëren en het positief herevalueren vanwege Michael Walzer (Just and Unjust Wars. A Moral Argument with Historical Illustrations, Basic Books, New York, 1977, Arguing about War, Yale University Press, New Haven, 2003). Dit herdefiniëren ligt vrij dicht bij wat door Monique Canto-Sperber wordt voorgesteld in Le bien, la guerre et la terreur. Pour une morale internationale, Plon, Parijs, 2005, die het onderscheid probeert duidelijk te maken tussen “rechtvaardige oorlog” en “morele oorlog”. Het manifest van de Amerikaanse intellectuelen die gunstig stonden tegenover de oorlog met Irak (Samuel Huntington, Francis Fukuyama, Michael Walzer), gepubliceerd op 1 oktober 2002 door het Institute for American Values, kadert de strijd tegen het terrorisme in de “rechtvaardige oorlog”, zonder zich evenwel één moment de vraag te stellen naar de toegelaten grenzen aan de oorlogsacties, noch over het evenwicht dat men zou moeten instellen tussen militaire repressie en militaire middelen.
(62) Art. cit.
(63) “Men kan niet toegeven”, schrijft Grotius, “dat volgens het gewoonterecht het toegelaten is om de wapens op te nemen om ene prins of een staat te verzwakken, waarvan de macht dag na dag aangroeit, uit schrik dat als men maar laat betijen, ze ons misschien mogelijkerwijze zou kunnen schaden” (Traité de la guerre et de la paix, boek 1, hoofdstuk 2). Het is de reden waarom Yaron Brook en Alex Epstein (“’Just War Theory’ vs. American Self-Defense” in The Objective Standard, I, 1, lente 2006) kritiek uitbrengen op de notie van “rechtvaardige oorlog”: in hun ogen is die nog veel te beperkt! Als na te volgen voorbeelden citeren ze de terreurbombardementen op Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog en de massamoorden op de burgerbevolking van Georgia door de generaal van de Noord-Amerikaanse troepen, William T. Sherman in 1864, waarbij Epstein en Brook de notie van “proportionaliteit” verwerpen tussen de aanval en de verdediging en zelfs zover gaan de Bush-administratie van “laxisme” te beschuldigen omdat ze niet voluit zouden gaan in een totale oorlog tegen het militant islamisme. De twee auteurs, die tussendoor het martelen een “morele plicht” noemen, beroepen zich op de filosofie van het “rationeel egoïsme” van Ayn Rand.
(64) “Una ‘guerra globale’ monoteistica”, site internet
(65) Art. Cit.
(66) Ibidem. Geminello Preterossi, die het heeft over een “staat van globale uitzondering”, staat vrij positief tegenover het feit dat de VSA ertoe neigen om zich als “wereldbewakers” op te stellen in de zin waarop Schmitt het in zijn werk had over “bewaker van de grondwet” (L’Occidente contro se stesso, Laterza, Rome-Bari, 2004, pag. 39-56). Paul Virilio houdt het bij de interpretatie van de preventieve oorlog liever bij de alomtegenwoordigheid van de schrik in de burgermaatschappij . “De preventieve oorlog van George W. Bush is een panische reactie van het Pentagone (…) De preventieve oorlog is eigenlijk een oorlog die op voorhand verloren is. Preventief aanvallen bewijst dat men niet zeker is van zichzelf. Amerika en zijn supermacht zijn onmachtig tegenover het nieuwe van dit strategische feit (…) Het is een hysterische situatie” (“L’état d’urgence permanent” in Le Nouvel Observateur, Parijs, 26 februari 2004, pag. 96).
(67) Cfr. Carlo Galli, La guerra globale, op. cit.