Peter Logghe

Volksvertegenwoordiger en fractieleider gemeenteraad te Roeselare

BOEKBESPREKINGEN
door Peter LOGGHE

sluit dit venster



Een krasse tachtiger

Professor dr. Em. Piet Tommissen staat helemaal achter het principe dat men nooit te oud is om actief te blijven, ook intellectueel. Op zijn 82ste presteert deze oud-academicus het om een bundeling bijdragen te publiceren. Bedenkingen en interessante achtergrondinformatie onder andere bij het ontstaan en de evolutie van een tijdschrift als Golfslag, een kort essay over Wies Moens als heraut van de ‘konservatieve revolutie’ in Vlaanderen. Een bedrage over de zogenaamde Politieke Academie als tussenoorlogs conservatief vormingsinstituut, en over ‘De Gemeenschap’ van pater Bonifaas Luykx tot de wet van Brück.

Voor wie professor Tommissen niet zou kennen, hij gaat de wereld rond als dé Carl Schmitt-kenner bij uitstek, die gans Europa ons trouwens benijdt. Derhalve kunnen we niet om de vaststelling heen dat zowat elke grote natie zijn Schmitt-renaissance heeft gekend, met uitzondering van dit dwergenlandje België. Terwijl juist hier…inderdaad!

Maar niet alleen de jurist Carl Schmitt behoort tot de geprefereerde onderzoeksdomeinen van Piet Tommissen. Zo behoren ook de Italiaanse topintellectueel Vilfredo Pareto tot zijn lezerslijstje. Professor Tommisssen moet trouwens ook een van de eersten zijn geweest die het Mohleriaans begrip ‘konservatieve revolutie’ in de Lage Landen binnenbracht en enkele Vlaamse en Nederlandse jongeren een fascinatie voor het onderwerp zou meegeven dat een leven lang zou blijven duren.

Op 82-jarige leeftijd publiceren en dat dan de titel “Buitenissigheden” als titel meegeven: prachtig gewoon. Met bijzondere interesse heb ik kennis genomen van de wet van Brück – waarbij het aardmagnetisme als verklaringsgrond wordt gebruikt voor het cyclische geschiedenisverloop – en van de studie over Wies Moens, die ik in een Duitse versie ook al ergens kon lezen. Vooral boeide mij zijn studie over het ontstaan van het Vlaamse tijdschrift Golfslag. Dit kwam tot stand uit de vruchtbare samenkomsten van jongeren tijdens en na de jongste Wereldoorlog. Bijeenkomsten in Knokke-Heist en later in Antwerpen en waarbij steeds dezelfde namen terugkomen: Manu Ruys, Ivo Michiels, Adriaan De Roover, Hugo en Arnold Van der Hallen. Volgens historicus Etienne Verhoeyen een “extreem rechts tijdschrift”, maar het onderzoek van professor Piet Tommissen legt toch heel wat andere accenten bloot. De doelstelling van Golfslag bijvoorbeeld had weinig of geen extreem rechtse kleur: het wilde ‘jong, durvend en gelovend’ zijn. En een van de initiatiefnemer, Hugo Van der Hallen, verwoordde het bijvoorbeeld zo: “Golfslag wilde provoceren, uitdagen, progressief, niet conservatief, niet berustend maar durvend”. Of iets verder in het gesprek liet Van der Hallen zich ontvallen: “Golfslag was dus niet een project van jongeren die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog van de officiële VNV-koers hadden gedistanciëerd. Ik was bij mijn weten de enige van het groepje die zich tijdens de oorlog enigszins politiek had geëngageerd. Het was in eerste instantie ene project van katholieke studenten die in het achterhoofd meer aan een soort heropbloei van het AKVS dachten”.

Een oplage van ongeveer 2.000 exemplaren: niet mis voor een blad dat in de moeilijke en zware naoorlogse repressietoestand verscheen; Professor Tommissen kon meticuleus een lijst van medewerkers, losse en vaste, bijeenbrengen en daar zitten veel interessante namen bij, dat moet gezegd. Golfslag zou uiteindelijk ten onder gaan onder invloed van verschillende factoren. Verschillende kernmedewerkers werden voor opslorpende professionele taken geplaatst, de tijdsgeest verplaatste zich gedeeltelijk naar andere interessedomeinen en een louter cultureel tijdschrift bleek minder aan een behoefte te beantwoorden. In 1949 stopte de redactie er mee, maar andere initiatieven waren ondertussen al opgestart en zagen op een andere plaats het levenslicht.

Deze “Buitenissigheden” geven de geïnteresseerde zeer aangename leesmomenten, vooral omdat de stijl van professor em. Piet Tommissen zeer soepel gebleven is, ondanks (of juist door) de hoge leeftijd van de auteur. Piet Tommissen publiceerde in 2007 al over Georges Sorel en zou dit jaar een werk over Hugo Ball op de markt brengen. Nouvelle Ecole, het Franse tijdschrift (of jaarboek) van Alain de Benoist, brengt in november een speciaal nummer uit over Georges Sorel, met daarin een tekst van de onvermoeibare Piet Tommissen. Wij kijken alvast met veel interesse uit naar volgende buitenissigheden en roepen de auteur toe: ad multos annos!

Tommissen, P., “Nieuwe Buitenissigheden”, 2007, Apsis S.A., La Hulpe, 188 pag.
ISBN 2 – 9600590 – 3 – 4.

(P.L.)

Wereldrevolutie of hoe de werkelijkheid de theorie inhaalde

De Nederlandse auteur Erik van Ree is als universitair docent verbonden aan de opleiding Europese Studies van de Universiteit van Amsterdam. Tussen 1973 en 1981 was hij daarenboven actief in verschillende maoïstische organisaties, en loskomend van de totalitaire paradox ging hij zich gaandeweg gaan toeleggen op de studie van het communisme en het stalinisme, wat een boeiend boek opbracht dat nu voor ons ligt: “Wereldrevolutie, van Marx tot Kim Jong Il”.

Niet alleen wordt hier omstandig de evolutie en de neergang van het Europese communisme uit de doeken gedaan, van Ree besteedt ook zeer ruime aandacht aan de vele Aziatische, Afrikaanse, Zuid-Amerikaanse en Arabische vormen van marxisme. Merkwaardig ook de botsing tussen en de eigenaardige symbiose met het nationalisme, vooral dan in Europa, de vele Aziatische landen en ook bepaalde Arabische landen. Cuba als voorbeeld was en is boeiend als experiment met zowel nationalistische als socialistische accenten, wat er bijvoorbeeld toe leidde dat ook in zogenaamde extreem rechtse, Europese groeperingen en bewegingen een al dan niet onderhuidse sympathie heeft bestaan voor de opstandige houding van Castro tegenover de VSA. Niet alleen voor Castro en Cuba bestond aandacht in sommige rechtse Europese kringen, ook voor de Arabische Baathpartijen.

Erik van Ree is gefascineerd door de fascinatie die van het communisme uitgaat en wilde vooral uitzoeken hoe het komt dat miljoenen mensen over de gehele wereld hun lot aan het communisme verbonden. Want neem nu opnieuw het ‘geval Cuba’: Castro slaagde er met zijn communistische revolutie wel in om het land een zeer hoge alfabetisatiegraad te geven, de kindersterfte enorm te doen zakken en de levensverwachting te doen toenemen. Met andere woorden, de communistische revolutie ontstond niet uit het niets, er leefde een duidelijk ongenoegen onder de bevolking als humus waarop de communistische revolutie, in het ene land met veel meer succes dan in het andere, wortel kon schieten. In het ene land ging de communistische machtsgreep gepaard met massaal bloedvergieten (Rusland, China, Cambodja), in andere landen met minimaal geweld. Een extreem voorbeeld is Grenada, waar het legertje van de marxist Bishop, 45 man sterk, het staatsleger van 230 man in 1973 op de vlucht joeg en waar in totaal 3 doden vielen.

Communistische bewegingen lijken in de ganse wereld trouwens sterk identitair gekleeurd, overal kleven er particularistische trekjes aan, wat bijvoorbeeld zeer duidelijk bleek bij de Afghaanse communisten rond de “geliefde Leider Tariki”. Zo verhaalt Erik van Ree ook over de écht gevaarlijkje gekken in de communistische wereld zoals Guzman en Kim Il Jung. Of over Colombia, waar het communisme zich op een eigenaardige (of juist natuurlijke) manier vermengd heeft met de cocaïnehandel. Wat te denken van massamoordenaar Pol Pot, ‘goed’ voor miljoenen doden in naam van “de meest menselijke van alle menselijke utopieën”?

Auteur en wetenschapper Erik van Ree volgt de mondiale communistische opgang en uiteindelijke neergang chronologisch. 1789: nog geen enkele communistische staat. 1923: Rusland is het eerste marxistische staat. 1941: de periode van de grote expansie. 1953: China is het begin van de Aziatische insijpeling en tegelijkertijd is er sprake van schisma. Cuba wordt communistisch. De climax van dit alles is 1969, waarbij ook stukken van Afrika en grote stukken van Azië naar het communistische kamp overhellen. De mislukkingen beginnen zich echter op te stapelen: Chili, de Arabische wereld, enzovoort. Na de ineenstorting van het Sovjetimperium blijven bijzonder weinig rode vlekken op de wereldkaart over. Veel aandacht in het boek voor de grote Russische en Chinese communistische bewegingen. Alleen spijtig dat over de Amerikaanse, Canadese, Britse en Turkse communisten in dit boek zo weinig te lezen viel: niets.

Een uitgebreide bibliografisch en personenregister sluit dit werk af. Over het verdwijnen van het communisme en vooral over het snelle einde van het sovjetcommunisme halen we – om deze bespreking af te sluiten – graag volgende rake opmerking van de auteur aan: “De communisten hadden zich een verdwijnen van de Sovjet-Unie niet eens kunnen voorstellen. Het was ondenkbaar, een overtreding van de wetten van de natuur. Fidel Castro merkte naar aanleiding van de gebeurtenissen op dat hij ‘nooit had verwacht dat op een dag de zon niet meer zou opkomen’. Van het ene moment op het andere stond het wetenschappelijk socialisme te kijk als een dwaalleer (…) Toen de stofwolken waren opgetrokken, waren er van de 22 communistische staten nog maar 5 over: Cuba, de Chinese Volksrepubliek, Noord-Korea, Vietnam en Laos. Ook de Volksrepubliek Kampuchea was inmiddels ter ziele”.

Een buitenmate interessant en goed geschreven boek. Je voelt als lezer goed aan dat van Ree minstens in een bepalende periode in zijn leven sympathie voor de zaak heeft gehad, maar dat schaadt noch de leesbaarheid noch de historische juistheid van de beschrijving.

Van Ree, E., “Wereldrevolutie. De communistische beweging van Marx tot Kim Jong Il”, 2005, Mets & Schilt Uitgevers, Amsterdam, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 511 pagina’s,
ISBN 90 – 5330 – 395 – 2.

(P.L.)

60 nationalistische figuren

Dat het nationalisme in de Lage Landen, het natiegevoel en de wil om hiervoor een politieke ruimte te scheppen, géén eendagsvlieg is, zoals sommigen ons wel eens willen voor houden, bewijst het politieke leven van elke dag. Het wordt ook overduidelijk bewezen in deze jongste uitgave van Uitgeverij Egmont, “60 nationalistische figuren”. Trouwens de auteur zelf van het werkje, dr. Roeland Raes, kan eigenlijk best beschouwd worden als een emanatie van de diepe wortels van deze identitaire stroming in de Nederlanden.

In 1934 in Gent geboren was hij al in de jaren 50 en 60 van vorige eeuw actief – op alle mogelijke bestuursniveaus trouwens – in de Volksunie, en later, vanaf de jaren 70 en 80, in het Vlaams Blok en tenslotte in het Vlaams Belang. Hij geraakte in de politieke actualiteit met uitspraken voor de Nederlandse televisie, die vervolgd worden omwille van een zogenaamd negationistische strekking. Maar Roeland Raes is meer dan dat. Er zijn met moeite naoorlogse tijdschriften in de radicaal nationalistische beweging te vinden, waar deze auteur niet aan heeft meegewerkt. Met bijzondere interesse steeds voor de nonconformistische en tegelijk goed onderbouwde (heel- of groot-) Nederlandse strekkingen binnen de Vlaamse Beweging. En mét een zeer open oog voor wat in Europa gebeurde. Kan het iemand verwonderen dat Roeland Raes een regelmatige redacteur werd van Dietsland-Europa (van de organisatie Were Di) of van Revolte (van de actiegroep Voorpost) en dat hij jarenlang de Vlaamse spil was waarop het bannelingentijdschrift De Schakel draaide?

Ondanks zijn respectabele leeftijd is hij momenteel hoofdredacteur van Revolte, het tijdschrift van de heel-Nederlandse jongerenactiegroep Voorpost. Het is voor die jongeren, of de jonge studenten van de N.S.V. of het K.V.H.V. dat hij de verschillende teksten schreef, vanuit de vaststelling dat men toch heel weinig weet van de Vlaamse Beweging van de 19de of de 20ste eeuw. “Hoezeer de namen van Vlaams-nationale leiders en militanten, hoe verdienstelijk ook, nog een echo oproepen bij jongeren vandaag”.

Of zoals inleider Johan Vanslambrouck terecht opmerkt: “Wij leven en werken vandaag, maar als nationalisten beseffen we dat we niet uit het niets komen. Ons collectief verleden bepaald mede wie we vandaag zijn, hoe we leven en werken. Daarom blijft een basiskennis van dat verleden voor ons zo belangrijk. Geschiedenis wordt gemaakt door mensen en dus is het van belang om de hoofdrolspelers goed in hun context te kunnen situeren. Daartoe levert dit boek een bijdrage”.

Hierin veel bekende, maar ook minder bekende Vlamingen en Nederlanders (Buls, Willem de Vreese, Jacob Heremans, Lucien Jottrand). Veel op het eerste gezicht bekende namen ook, waarop de auteur door ongekende typeringen toe te voegen, een nieuw licht werpt (Wouter Lutkie, Remi Piryns, René De Clercq, Kamiel Van Damme, Jaak Moerman, Karel Dillen).

Deze uitgave, die in de lijn ligt van hetgeen Jean Mabire in Frankrijk presteerde met zijn reeks “Que Lire”, schreeuwt gewoon om een voortzetting in een deel 2. Het zou trouwens voor de auteur een (ondankbare?) opgave moeten zijn om nog meer min of meer vergeten figuren uit de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw terug voor het voetlicht te brengen. De moeilijke heropbouw van de nationalistische beweging in die jaren is eigenlijk maar mogelijk gebleken door de inzet van deze tientallen onbaatzuchtige werkers, en die nu in de vergetelheid verzeild dreigen te geraken. Kinderen van ons volk.

Voor jongeren is dit boekje hopelijk een aanzet naar méér. Daarom is het spijtig te noemen dat een (min of meer uitgebreide) bibliografie of lijst met verwijzingen helemaal achterwege is gebleven. Misschien wordt dit euvel in deel 2 uit de wereld geholpen? Maar laat u hierdoor niet tegenhouden om deze uitgave te kopen en aan jongeren door te geven.

Raes, R., “60 nationalistische figuren”, 2008, Uitgeverij Egmont, Brussel, 222 pagina’s
ISBN 978 – 78898 – 07 – 8

(P.L.)

Religie en politiek in het Europa van de dictators en erna

Apocalyptische tijden – zeker als de perceptie in de bevolking zo zit – trekken steeds apocalyptische mensen en bewegingen aan, levenshervormers van alle slag. Dat was, aldus hoogleraar Michael Burleigh (universiteiten van Oxford, Cardiff en Washington), niet anders in het Weimar van de jaren 20 en 30 als in de periode rond 1968 in West-Europa en Amerika. Aan de evolutie van de religie en het religieus gevoel in de periode van de totalitaire regimes en in de periode erna, is dit interessante boek gewijd.

Alles begint in en na de Eerste Wereldoorlog, toen voor de nagedachtenis van de miljoenen slachtoffers van deze collectieve slachting overal in Europa gedenktekens werden opgericht. De auteur benadrukt in dit verband het belang van de vaststelling dat de waarden die de Bands of Brothers (aan welke kant van de loopgraven dan ook) de oorlog had doorgesleurd (kameraadschap, eer, trouw, moed) tot lang na het einde van de oorlog bleef doorzinderen in allerlei nationalistische groeperingen. Maar niet alleen bij rechts, ook in linkse kringen werd het loopgravenexperiment gecultiveerd of in elk geval nog jaren meegedragen.

De onzekerheid van de naoorlogse toestand en de reactie van de volksmassa’s die schreeuwden naar zekerheid, kregen hun pendant in de milieus van het grootstedelijk anarchistisch kunstenaarsleven, waar allerlei bohémiens, nihilisten – met allerlei seksuele ontsporingen – de reacties van de platteland nog deden toenemen. Het mag niet verwonderen dat in deze verwarrende tijden allerlei sektarische clubjes en de meest bizarre theorieën aan een steile opgang begonnen. De auteur zet er ook verschillende goed in de verf. Ludwig Christian Haeusser, de eerste publieke nudist bijvoorbeeld, die na allerlei omzwervingen in Noord-Italië en Zwitserland, uiteindelijk neerstreek in zijn geboortestreek Württemberg en als echte profeet volgelingen rond zich begon te verzamelen. Of Friedrich Muck-Lamberty, die streefde naar kleine, pseudo-Middeleeuwse groepen en sterk de nadruk legde op het ambachtelijke vakmanschap. Enkele duizenden Duitsers sloten zich aan. Te midden van jonge bolsjewieken, jonge katholieken, jonge nordicisten en enkele Russen zou Muck tenslotte aansluiting vinden bij leden van de nationaal-socialistische beweging, die sterk naar het socialisme neigden. Een andere kleurrijke figuur is die van Carl Christian Bry, auteur Burleigh vult opnieuw enkele boeiende bladzijden.

Niet alleen Duitsland was het toneel voor allerlei burleske groepen en groepjes, de auteur verwijst ook naar Groot-Brittannië dat altijd al zeer open had gestaan voor religieuze experimenten. En er is het oude Rusland natuurlijk dat door de Sovjets onder de voet werd gelopen en waar de Bond der Goddelozen haar moment de gloire zag aanbreken. Maar ondanks enkele aanzetten door het nieuwe Sovjetregime (eigen nieuwe tijdrekening, eigen riten en eigen clerus) kwam het toch zover niet. Werd het atheïsme met de mond beleden, de werkelijkheid gaf toch aan dat er contacten waren met de orthodoxe kerk.

Burleigh neemt ons mee op reis door de religieuze connecties in de 3 totalitaire regimes in het tussenoorlogse Europa: het fascisme, het communisme en het nationaal-socialisme, en overal weet hij eigenaardige evoluties aan te duiden. Een fascinerende geschiedenis dus. Het totalitarisme had duidelijk een religieuze kleur: het had een eigen clerus, eigen kerken, eigen riten, een eigen vroomheid en zelfs een eigen waarheid. Totalitaire regimes hadden dus alles om uit te groeien tot religies. Zo beschrijft de auteur het nationaal-socialisme als een eigenaardige mix van oeroude tradities en moderniteit. Maar hij gaat verder. Heel scherp schildert hij de aanpassing van het katholicisme, maar vooral van het protestantisme, aan de eisen van de nieuwe regimes in Europa. En hij laat ruimte voor échte antinazi’s zoals de conservatief Eric Voegelin.

Niet alleen in het fascisme werd religie misbruikt, aldus professor Burleigh, maar ook het zogenaamd antifascisme was in hetzelfde bedje ziek. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog werd de katholieke kerk in Italië in de maalstroom van de Koude Oorlog meegezogen. Bijzonder scherp is de auteur voor de nieuwe messiassen van de periode rond 68, met hun streven naar een nieuw aards paradijs en hun ondermijning van zovele Europese tradities.

Een interessant, uitgebreid boek dus, dat – merkwaardig toch – alleen in de Ierse kwestie de bal totaal verkeerd slaat. Voor Michael Burleigh is de Ierse opstand eigenlijk terug te brengen tot een sektarische strijd en ontkent hij tezelfdertijd compleet het nationalistisch-emancipatorische element. Spijtig voor dit schoonheidsfoutje.

Burleigh, M., “Heilige Doelen. Religie en politiek in Europa van de Europese dictators tot Al Qaida”, 2007, De Bezige Bij, Amsterdam, 620 pagina’s
ISBN 978 – 90 – 234 – 2251 – 8.

(P.L.)

sluit dit venster