Volksvertegenwoordiger en fractieleider gemeenteraad te Roeselare
"Decadentie, dat gebeurt als men het beest niet meer met zijn eigen naam durft te benoemen" Henry de Montherlant, Frans schrijver
"Het inschrijvingsrecht werd al in 1978 door de Raad van State ongrondwettelijk genoemd. Politiek gezien is het ook een absurd recht. Men kan toch moeilijk in Vlaanderen wonen en tegelijk Vlaanderen de rug toekeren?". Professor Hendrik Vuye in Knack (02.12.2009). Diezelfde professor Vuye verklaarde onlangs in De Morgen (10.02.2010): B-H-V-onderhandelaar Jean-Luc Dehaene "was altijd een tegenstander van het inschrijvingsrecht. In 1978 werd het Brusselverhaal van het Egmontpact op het CVP-congres afgeschoten door de vertegenwoordigers van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, die onder leiding van Jean-Luc Dehaene, fulmineerden tegen het inschrijvingsrecht". En nu zou dezelfde Dehaene datzelfde inschrijvingsrecht willen invoeren, hij die verklaarde dat "(.) de prijs in de rand - vooral het inschrijvingsrecht dat de Franstaligen verwierven - te hoog was."
BOEKBESPREKINGEN
door Peter LOGGHE
In zijn inleiding op dit boek van professor Plasschaert beroept Mark Eyskens zich terecht op het woord van Napoleon: “China is een slapende reus. Wanneer het ontwaakt, zal de hele wereld daveren”. Want China is ontwaakt, en als er nu een economische reus is, die blijft groeien tegen een duizelingwekkend ritme, dan is het wel China. Merkwaardig genoeg gaat deze economische liberalisering niet hand in hand met een politieke emancipatie, wel integendeel: opposanten worden opgesloten, mensenrechten aan de lopende band geschonden en vrijheid van meningsuiting is een begrip zonder inhoud.
Professor Sylvain Plasschaert (professor em. Economie aan de Universiteit Antwerpen en de K.U.Leuven) is de auteur van dit China, inzicht in zijn doorbraak. Een echt handboek, dat ongetwijfeld veel mensen een beter inzicht zal geven in de complexe cultuur en maatschappij van China. Nuttig ook, want China is een macht geworden waarmee in deze pluriforme wereld terdege rekening zal moeten worden gehouden.
China is de oudste, ononderbroken beschaving ter wereld, ze bracht ons de uitvinding van het papier en van het buskruit, maar geraakte in de loop van de 18e eeuw in een vrije val, waaruit het zich pas recent wist te bevrijden. Professor Plasschaert gaat in op het verre verleden, belicht de verschillende syncretische godsdiensten als het taoïsme, het confucianisme en het boeddhisme, die hij ook chronologisch weet te plaatsen. Hij wijst terloops al even op de dé grote politieke continuïteit in het politieke China, dat van een doorgedreven autoritaire systematiek, wat ongetwijfeld werd bevorderd door de etnische homogeniteit van China (90% van de Chinezen bestaan uit Han-Chinezen). Nochtans had China zowat alles tegen: een eerder ongunstige natuurlijke omgeving, veel natuurrampen, een beperkt landbouwareaal, een nijpend tekort aan water en weinig natuurlijke rijkdommen.
De auteur Maddison situeerde het grote verval van China rond 1820, toen het land terecht kwam in een maalstroom van allerlei Europese mogendheden (later aangevuld met Japan), die zich allemaal actief moeiden. Het gevolg waren bijvoorbeeld de opiumoorlogen, er waren talloze andere invallen, en dit alles ging gepaard met een verstarring, bijna een verstening, op binnenlands politiek vlak in China. Met de Taipingrebellie (1850-1864) ontstond zelf eventjes de vrees voor een protocommunistische, zeer egalitair georganiseerde maatschappij, wat volledig haaks stond op het hiërarchisch georganiseerde confucianistische maatschappijmodel. Naar schatting 20 miljoen mensen overleefden deze opstand niet.
Plasschaert stelt zich de vraag naar de redenen van dit snelle verval, want het is opvallend hoe goed China zich op ongeveer elk maatschappelijk vlak tot 1800 kon meten met bijvoorbeeld Europa. Zeker waren de opdringerige Europeanen een factor van Chinees verval, maar de auteur ziet het breder. De afzondering van China – dat zich veruiterlijkte in een hooghartig autisme tegenover andere beschavingen – is een bijkomende factor. Het sterk hiërarchisch staatsmodel, en het conformisme en het afwijzen van allerlei nieuwe denkbeelden die daarvan het gevolg waren, zorgden voor een bijkomende verstarring.
Stilaan breekt de stelling door dat ook het maocommunisme niet gezorgd heeft voor een aansluiting tot het Westen, net zomin trouwens als de nationalisten Sun Yatsen (1866-1925) en Chiang Kaichek dit hebben kunnen realiseren. Het is pas na 1980, toen de centraal geleide planeconomie werd verlaten voor een meer liberaal getinte economie, dat de economische herleving in China echt op gang is gekomen. Ondanks zijn mislukken blijft Sun Yatsen voortleven en bekleedt hij een ereplaats in het Chinees bewustzijn als ‘vader van het moderne China’.
Vrij onbevooroordeeld belicht Plasschaert de periode van de burgeroorlog (1945-1949) en de communistische machtsovername. Het communisme onderwierp China aan een totalitair regime. Met miljoenen slachtoffers tot gevolg. Mao, de sterke man, geloofde in de permanente revolutie en wist de massa’s te mobiliseren. Dit werd op de spits gedreven tijdens de zogenaamde Grote Proletarische Culturele Revolutie, tevens een van de grootste fouten van de Grote Roerganger. De ‘Grote (industriële) Sprong Voorwaarts’ – eigenlijk een zoveelste terugval – was er nog zo een: op een relatief korte periode zouden minstens 25 miljoen mensen aan ondervoeding gestorven zijn. Na 1960 kwam China trouwens op internationaal vlak op een vrij geïsoleerde positie te staan.
In deel III gaat de auteur dan in op de echte sprong voorwaarts na 1989. Deze werd gekenmerkt door de razendsnelle economische opbloei van het land, met als speerpunten de decollectivisatie van de landbouw en de opbloei van de rurale industrie. Zij hing tesamen met de opening naar de buitenwereld en het aantrekken van investeringen. In deze trendbreuk staat Deng Xiaoping, die onder het terreurbewind van Mao al eens in ongenade was gevallen, centraal.
Alle cijfermateriaal meegeven is in dit korte bestek natuurlijk totaal onmogelijk, maar misschien is het toch nuttig even te wijzen op het feit dat het BBP van China elke acht jaar verdubbelt, en vertienvoudigd is op amper een kwarteeuw! Het hoge tempo is vooral toe te schrijven aan de activiteitsgraad in enkele ontsloten gebieden en steden, want het wijde binnenland hinkt nog ver achterop.
Of nog zo’n cijfer: op een kwarteeuw is de export van goederen verachtendertigvoudigd. China is hét bestemmingsland van buitenlandse directe investeringen. Vooral kuststeden en –gebieden kregen in het verleden al het statuut van ‘speciale economische zones’. Plasschaert somt drie Chinese troefkaarten op: de reserve aan ondertewerkgestelde arbeidskrachten, een potentieel enorme binnenlandse Chinese arbeidsmarkt en de actieve interesse van overzeese rasgenoten.
De tegenstelling met de starheid op politiek vlak is dan ook zeer confronterend: de voorbije 25 jaar deden zich geen verstrekkende evoluties voor op intern politiek vlak. En de kans op een doorbraak van een politieke democratie schat professor Plasschaert op korte termijn vrij gering in. Zo kende China geen scheiding van de machten en de kans is klein dat dit snel verandert.
In een vierde deel tenslotte onderzoekt de auteur de weerslag van China’s veranderingen. Daarin onder andere een interessant hoofdstuk hoe de Volksrepubliek China stilaan de klemmen bij kleine broer Taiwan strakker aanspant. Dit land, de restant van Chiang Kaichek’s nationalistisch China, lijkt dan ook een vogel voor de kat.
De slotvraag is voor Europa: Zal het relatief rijke Europa voldoende veerkracht en aanpassingsvermogen hebben om de nieuwe uitdagingen met succes te verwerken?
Een aanrader voor de liefhebbers!
(P.L.)
Plasschaert, Sylvain (2007), China, inzicht in zijn doorbraak, Davidsfonds: Leuven, 295 pagina’s
ISBN 978 – 90 – 5826 – 455 – 8
Cahiers Staf de Clercq
Een lang gekoesterde droom van duizendpoot Pieter Jan Verstraete gaat hiermee in vervulling. De auteur blijkt immers sinds 1992 met plannen rond te lopen om gebundelde bijdragen ter bevordering van de studie van de Clercq en tijdgenoten te publiceren. In de loop van de jaren heeft hij een pak informatie over de oud-leider van het VNV verzameld en naar aanleiding van bezoeken aan het Pajottenland en familieleden van Staf de Clercq werd de stapel steeds groter, “kofferladingen vol”, aldus Verstraete in de inleiding van het eerste Cahier.
Onze buurlanden kennen de traditie van Cahiers al heel lang en bekende figuren worden er regelmatig geëerd met deze korte biografische essayvormen: Colette, Robert Brasillach, André Gide, Robert Poulet, Louis-Ferdinand Céline, Carl Schmitt en G.K. Chesterton. “Bij ons verschenen tot in 1994 de Verschaeviana, gewijd aan Cyriel Verschaeve”, geeft de historicus de lezer mee. Verder zijn er jaarboeken over Felix Timmermans, Stijn Streuvels, Louis Paul Boon en Filip de Pillecyn. Waarom dan niet over Staf de Clercq?
De Standaard ondervroeg in 1999 haar lezers over “de politicus van de eeuw”, Staf de Clercq bekleedde er de 42ste plaats op 50. Hij is dus niet helemaal vergeten, er wordt over de Clercq gesproken. Vandaar de noodzaak om voldoende juiste informatie over hem te verspreiden. Daarin moet de boodschap van deze Cahiers Staf de Clercq worden gezien.
In het eerste nummer moet Pieter Jan Verstraete het wel uitgebreid hebben over het Pajottenland, dé streek van Staf de Clercq en familie. De Kesterheide, de heidetochten, het Pajottenland: veel interessante weetjes over de regio en veel foto’s. Ook een korte familieschets, waarin ouders en schoonouders kort worden voorgesteld. Een bijdrage die ongetwijfeld in de toekomst fel wordt uitgebreid.
Als tijdgenoot van Staf de Clercq schreef Pieter Jan Verstraete een biografische nota over de tragische figuur van August de Wilde. Hij was naast verzekeringsmakelaar (voor Noordstar & Boerhaave) ook propagandaleider voor het VNV in het arrondissement Gent-Eeklo. Elias omschreef de Wilde als “zeer actief, alhoewel weinig populair. Hij was te stug van karakter en daarbij zeer eigenzinnig. In den grond moest hij een actieterrein hebben waar hij zelf heer en meester was en leiding kon geven”. De Wilde werd in het begin van de oorlog schepen van de stad Gent, waar hij zich al heel snel begon af te zetten tegen de Duitsers en hun bemoeienissen om het “Dietse” thema volledig te verbieden. August de Wilde belandde in het Diets Verzet, maar dat belette de Belgische overheid en het verzet niet om de Wilde gevangen te zetten, zijn woning volledig te plunderen en vrouw en kinderen op straat te zetten. August de Wilde zakte weg in een depressie en als een volledig gebroken man stierf hij in november 1947 door ontbering en uitputting. Een tragische figuur die inderdaad best eens van onder het stof werd gehaald.
Twee documenten, een van H.J. Elias over Staf de Clercq en een pleitnota van meester Frans van der Elst voor Karel Peeters over ‘Volk en Staat’, sluiten dit eerste document af. In totaal 104 boeiende pagina’s bijeen.
Het eerste cahier kan u aankopen voor 15 euro, te storten op de rekening van Pieter Jan Verstraete zelf, 462 – 7286791 – 52 (Pieter Jan Verstraete, 8500 Kortrijk). De volledige reeks van 10 nummers kan u verkrijgen door storting van 120 euro. U kan Pieter Jan Verstraete ook bereiken op zijn e-postadres: pieterjan.verstraete@skynet.be.
Een aanbevolen initiatief, maar dat had u al door, natuurlijk.
(P.L.)
Vijftig jaar Vlaamse strijd
De Vlaamse Volksbeweging (VVB) is vorig jaar vijftig jaar oud geworden en het onder redactie van Peter Van Windekens verzamelde werk Wij betogen wil dat, met een prachtig ouderwets woord, boekstaven. Het resultaat is veel meer geworden dan iets wat bv. vooral de er rechtstreeks bij betrokkenen in hun kast zetten om er dan af en toe een nostalgische blik op te werpen. Dit is een regelrecht naslagwerk vol belangrijke gegevens voor historici en andere geïnteresseerden, al zal het degenen onder ons die oud genoeg zijn om het allemaal – van dicht of minder dichtbij – meegemaakt te hebben, onvermijdelijk tot reminiscenties leiden.
De hoofdbrok van dit net geen 350 bladzijden tellende boek is de Kroniek die Peter – uiteraard sinds enige tijd ook hoofdredacteur van dit blad – van blzn. 29 tot 232 wijdt aan wat er zich in elk van die voorbije vijftig jaren heeft voorgedaan dat betrekking heeft op specifiek de VVB en meer algemeen de Vlaamse strijd als dusdanig. Neem het allereerste behandelde jaar, 1956. Een aantal bewuste Vlamingen vond de tijd rijp voor het oprichten van een drukkingsgroep die boven de partijen zou staan en die ook tegenover een Vlaams-nationale partij een wat neutrale houding zou aannemen (de vergelijking met wat later rond het groene, resp. het milieuthema zou gebeuren ligt voor de hand). Een eerste, gelijkaardige poging in 1952 was mislukt en er zouden er nog enkele volgen. In 1956 was niet de derde maar wel de vierde keer de goeie en er werd een vandaag zeer gematigd aandoend Vlaams urgentieprogramma voorgesteld dat streefde naar o.m. een tweetalig statuut voor Brussel, vernederlandsing van het bedrijfsleven, vastlegging van de taalgrens, culturele autonomie en aanpassing van de parlementaire zetelverdeling aan de bevolkingscijfers.
Natuurlijk kunnen we niet elk van de volgende vijftig jaren even uitvoerig behandelen of we hebben daar een heel TeKoSnummer voor nodig, dus we draaien even door naar …. 1963. Waarom precies dat jaar? Wel ja, en hier volgt dan meteen de eerste meer persoonlijke noot. Ik was toen als prille student in patriottische en zelfs wat franskiljonse milieus verzeild geraakt en als dusdanig toegetreden tot het Nationaal Aktiekomitee voor de eenheid van het land en de taalvrijheid (moet ik nu privé-lijfwachten inhuren na die bekentenis ?). Geen vastlegging van de taalgrens en zeker geen federalisme, stelde dat NAK, dat besloot om in samenwerking met andere patriottische verenigingen op 31 maart 1963 een ‘Rendez-vous der Belgen’ te organiseren als reactie op de eerste Vlaamse marsen op Brussel. Zo succesvol als die marsen was het rendez-vous zeker niet. Toch enkele tienduizenden deelnemers, meen ik mij te heinneren. Uit pure nostalgie gluur ik even onder 1963 of NAK en / of Rendez-vous vermeld worden (tenslotte is wat de tegenstander doet ook niet zonder belang in een historisch overzicht), maar …. neen dus. Wel aangestipt worden voor dat jaar het opduiken van sociaal-economische motieven in de Vlaamse strijd en het probleem van de Franstalige missen aan de kust. Bij het pleidooi voor een meer welvarend Vlaanderen door versnelde industrialisatie wordt een referaat in die zin vermeld van Ferdinand De Bondt, de man die nu, zoveel jaren later, strijdt voor het behoud van het bedreigde polderdorp Doel. Ben ik de enige die zich daarbij afvraagt of Vlaanderen, dat toen misschien inderdaad te arm was, nu niet stilaan te rijk geworden is en wellicht vooral te veel op rijkdom gericht ? We komen er nog op terug !
Volgende en noodgedwongen laatste greep uit dit historisch overzicht: de jaren 1991-1992, het eerste omdat de VVB toen de radicale stap zette om te gaan ijveren voor een onafhankelijk Vlaanderen, het daarop volgende jaar 1992 omdat toen een van de weinige in het boek beschreven manifestaties plaatsgreep waaraan ik (en nu wel degelijk als enthousiast medestander) persoonlijk deelnam: de meeting Stop Euro-Brussel van het kort tevoren opgerichte gelijknamige comité, op 15 november in de Passage 44. Spreker was VVB-voorzitter Peter De Roover. De kritiek ging tegen de plannen om van Brussel de Europese hoofdstad te maken. PDR somde de bezwaren tegen het idee van Brussel in die rol op om dan luidkeels retorisch uit te roepen: “ Betekent dit dat wij van Brussel een provinciestadje willen maken ? het antwoord is: ja !”, om dan handig te laten uitschijnen dat er niets mis is met provinciesteden als …. (ik meen me enkel milaan te herinneren), kortom bloeiende en aangename steden waar men het ook zonder hoofdstedenmegalomanie best goed kan hebben. Het voormelde comité stelde dat Brussel als Europese hoofdstad een stedebouwkundige ramp, een bedreiging voor het milieu, een reden voor de vlucht van jonge gezinnen en een oorzaak van sociale wantoestanden in Vlaams Brabant zou zijn. Allemaal thema’s dus waarmee ik me nu eenmaal vanuit mijn optiek van groen, ecologie, kleinschaligheid en leefbaarheid meer mee verwant voelde dan met het, zeg maar, puur Vlaamse (dit hoeft geen kritiek te betekenen maar is gewoon een kwestie van specialisatie).
Maar wat vind je nu, behalve dit uitvoerig overzicht van jaar tot jaar, nog allemaal in dit boek ? Om te beginnen een verhelderende politiek-wetenschappelijke situering en beoordeling van Vlaanderen en zijn democratie tijdens het jongste decennium door prof.Wilfried Dewachter. Verder een reeks interviews met markante personen uit de geschiedenis van de beweging (vooral iets voor de insiders dus, maar daar is niets tegen) en een artikel van Ludo Abicht. Wie Abichts ideeën wat kent zal, wat ook zijn eigen mening weze, niet stomverbaasd staan als ik zeg dat ik Abichts kritiek op een mogelijk autistisch (sic !) Vlaanderen en op een etnisch nationalisme niet deel, evenmin als zijn positieve ingesteldheid tegenover een bepaalde diversiteit of dito pluralisme. Het meest negatief reageer ik op het artikel “Het technonationalisme is springlevend en ruikt naar de rozen van de toekomst” van Frans Crols. Een akelig woord als technonationalisme in goedkeurende zin gebruiken is voor mij al goed voor de eerste koude rillingen en wanneer de auteur er (totaal overbodig) nog aan toevoegt dat dit technonationalisme dus “geen synoniem (is) van benepenheid of lokalisme” kan ik alleen maar cynisch iets mompelen als “Ja, ik vreesde het ook al.” De Zuid-Koreaanse bedrieger met de stamcellen Hwang Woo-suk krijgt begrip voor zijn charlatannerie, want hij is immers een …. drie keer raden, ja …. Technonationalist en het kolonialisme mag van de heer Crols een pluim op zijn hoed steken. Mijn meta-commentaar op dit alles: wanneer men mijn mening vraagt over bv. rechtse politiek, nationalisme of vlaamsvoelendheid heb ik altijd de neiging eerst voorzichtig zelf te vragen hoe de betrokkene die termen definieert. Bij een te spontane positieve reactie van mijn kant zou men wel eens kunnen denken dat ik gelijkaardige ideeën heb als Frans Crols, van wie ik louter toevallig onlangs vernam dat hij ook nog een klimaatnegationist is. Wel ja, terwijl wij toch bezig zijn, nietwaar ?
Kan er nog wat persoonlijke commentaar bij (onze hoofdredacteur schrapt dit maar als hij vindt van niet) ? Met Peter De Roover deel ik, behalve wat hierboven vermeld werd, ook de op blz.254 van dit boek neergepende uitspraak dat Vlaanderen en Wallonië samen moeten strijden tegen België. De Roover noemt zich dan ook – en hopelijk is het niet enkel een stijlfiguur – een vriend van Wallonië. Het was in die toch onverdachte Vlaamse bron die ’t Pallieterke is dat ik ooit een goedkeurend relaas las van hoe je in de opera’s van Wallonië nog stukken opgevoerd ziet in hun oorspronkelijke, onversneden vorm. Geen geforceerde zucht naar nieuwheid, aangepastheid, moderniteit of eigentijdsheid ! Wallonië heeft misschien niet het geld maar, los daarvan ook minder de dwangmatige neiging om op allerlei gebied het allernieuwste technische snufje te bezitten. In Wallonië leeft nog meer het besef dat ambachtelijkheid, traditie, echtheid en lokale streekgebondenheid (lokalisme, juist !) belangrijk zijn. Ooit was dat in Vlaanderen en in de Vlaamse beweging ook zo. Maar blijkbaar hebben de technonationalisten het roer overgenomen (mogen we het parvenunationalisten noemen ?) en wanneer er een nieuwe Vlaamse film op stapel staat denken velen meteen: “ Toch niet weer één naar een roman van Stijn Streuvels, waarin we weer als een stel achterlijke boerepummels zullen worden voorgesteld ?”
Wanneer het probleem van de transferts naar Walloniê ter sprake komt heb ik meestal een dubbele reactie. Enerzijds het inzicht dat die transferts (vanzelfsprekend) niet aanvaardbaar zijn, maar anderzijds toch ook wat schrik als ze zouden verdwijnen. Zo van: ai, dan worden we nog rijker, dan hebben we nog meer geld om te verspillen aan dwaze prestigeprojecten die meestal niet alleen nutteloos maar duidelijk hinderlijk zijn.
Het is de jongste tijd een bekend fenomeen dat steeds meer Vlamingen naar Wallonië verhuizen. Ik geef ze geen ongelijk, maar ik vrees dat ze hetgeen ze daar zoeken ook op eigen bodem zouden vinden.
(GDM)
(red.) Van Windekens, Peter (2006), Wij betogen!: 50 jaar Vlaamse Volksbeweging, 1956-2006. Kapellen: Pelckmans, 349 pagina’s, ill., 27,5 euro.
ISBN 978-90-289-4127-4
De leugens over ontwenning
Theodor Dalrymple, die we in een vorig boek – Beschaving of wat ervan over is – al hadden leren kennen als een scherp analist en een vlot schrijver, gaat in dit boek hevig de polemische toer op. De auteur trekt de mythe van de drugsverslaving en vooral van de ‘moeilijke’ ontwenning ervan, in twijfel. Schaf gewoon de klinieken af waar men drugsverslaafden probeert te behandelen, schrijft hij op pagina 125, want men behandelt ze niet maar men houdt ze in een permanente afhankelijkheidspositie. Echt ontwennen kan iedereen op zichzelf en in de meeste gevallen moet dit zelfs lukken zonder medische bijstand of de ‘hulp’ van allerlei methadon- en andere verstrekkers, die niets anders op het oog hebben dan het ‘nut’ en de ‘noodzaak’ van de eigen instellingen beklemtonen.
Theodor Dalrymple is Brits arts op rust en werkte in vier werelddelen. Hij was er werkzaam in ziekenhuizen en in een gevangenis in een Engelse achterstandswijk. Hij fleurt zijn betoog dan ook geregeld op met eigen observaties en voorbeelden uit zijn lange carrière. “Ik beweer dat onze tegenwoordige misvattingen over opiatenverslaving voortkomen uit de systematische veronachtzaming van de meest voor de hand liggende feiten”, aldus de arts op pagina 101.
Haarfijn schetst hij de psychologie van opiatenverslaafden, vooral dan de voorstelling van de verslaafde als een zogenaamde passieve partij, wat helemaal niet met de werkelijkheid strookt zoals de arts die vaststelt. Integendeel, men ‘wordt’ geen verslaafde. Het actieve principe in het verslavingsfenomeen is wel degelijk de mens, niet de drug, en de verslaving is een vrij gekozen toestand, aldus Dalrymple. Ontwenning, en ook hiermee zal deze ‘ervaringsdeskundige’ heel wat lezers verbazen, is medisch helemaal niet levensbedreigend. Men moet het alleen willen. Nooit heeft Dalrymple in de gevangenis verslaafden meegemaakt die in de afkickfase in een levensbedreigende toestand werden gebracht.
Het zal niemand verbazen dat de voormalige arts vooral het psychologische aspect van de ontwenning benadrukt. Hij gaat nog verder en noteert dat “iedereen die stelt dat ontwenning een ernstige aandoening is die medische aandacht en behandeling noodzakelijk maakt, het door ontwenning veroorzaakte leed bewust of onbewust verergert. Met andere woorden: het hele zorgapparaat dient er niet toe om het lijden te verlichten, maar om het te creëren en te vergroten”. Een explosief boek met een politiek niet correcte boodschap. En naar we mogen verhopen, dé aanzet om het drugsprobleem in een andere context te plaatsen.
(P.L.)
Dalrymple, Th., Drugs, de mythes en de leugens, 2006, Nieuw Amsterdam Uitgeverij, Amsterdam, 160 pagina’s.
ISBN 978 – 90 – 468 – 0148 – 2