Peter Logghe

Volksvertegenwoordiger en fractieleider gemeenteraad te Roeselare

Boven de staat, boven de partijen: de politieke theorie van Gianfranco Miglio
Dr. Alessandro Campi (vert Peter LOGGHE)

sluit dit venster



(Inleiding) Tot ons en zijn geluk zal professor Gianfranco Miglio (*) voor het nageslacht niet alleen herinnerd worden als de ‘ideoloog van de Lega Nord’. Zijn bijdrage in de culturele uitstraling van Italië is daarvan heel verschillend natuurlijk: bijna vijftig jaar wetenschappelijk onderzoek, in zijn eentje en vaak tegen de stroom in.

Het studieobject van die ononderbroken studie was steeds de politiek en de wens om haar wetenschappelijk te begrijpen. Het is waarschijnlijk dat de militante bevlieging van Miglio en zijn optreden in de rangen van de Lega Lombarda, waarover zoveel werd gesproken en geschreven, op een dag op dezelfde wijze zal bekeken worden als de toetreding van Vilfredo Pareto tot het Mussoliniaans fascisme: Pareto schreef erover als de empirische bevestiging van zijn voorspellingen van de ondergang van de burgerlijke en liberale elites. Even zogoed kan het zijn dat Miglio in de Lega de (misschien niet helemaal correcte) vertaling heeft gezien van zijn strategieën voor institutionele hervorming. Verder kan men stellen dat zijn drang naar politiek engagement weinig te maken heeft met de intrinsieke waarde en de resultaten van zijn studies en eerder aan prozaïsche kanten van de geleerde appelleert. Aan de ene kant zou met bijvoorbeeld zijn spreekwoordelijke “Lombardische” inborst kunnen oproepen, zijn ‘Blut-und-Boden’-credo met keizerlijk-Oostenrijkse connotaties en met een bepaalde vijandigheid tegenover het Italiaanse Risorgimento. En inderdaad, Gianfranco Miglio was altijd al een federalist en een anti-unitarist geweest, dat ook al in de tijd van het dagblad Il Cisalpino. Met de jaren groeide hij uit tot anti-Romein en tot calvinist. In het licht van deze premissen was zijn huwelijk met de Lega-beweging, waar de etnisch-identitaire dimensies alles beheersen (tot en met antifiscale en anti-partitocratische trekjes) bijna onvermijdelijk.

Het Syndroom van de Prins

Aan de andere kant zou men echter ook dit authentiek “syndroom van de Prins” kunnen oproepen, dat vroeg of laat alle wetenschappers aantast, die zich over de politiek buigen. Politiek ‘beleven’ maar dan alleen via de boeken, theoretische burchten opbouwen en andere vernietigen, blijkt op de lange duur frustrerend vooral voor wie de politieke mechanismen tot op de grond bestudeert. Allen ondergaan vroeg of laat de verleiding om in de actieve politiek te stappen, om het kostuum van de occulte raadgever, gegrondvest op esoterische illusies, aan te schieten. Niet iedereen heeft natuurlijk een President van de Raad achter de hand, een staatsman of een partijleider. En alles hangt ook af van de capaciteiten van de kandidaat-raadgever, maar ook en vooral van het beperkt aantal échte machtsposities. Desnoods kan een kandidaat-raadgever zich ook bezighouden met een jong gemeenteraadslid of met een briljant regionaal raadslid, als ze goed gecoacht worden. Dan kan niet automatisch uitgesloten worden dat ze op termijn uitgroeien tot echte leiders. Men zou dus kunnen voorop stellen dat Miglio op zijn beurt zijn spel heeft willen spelen. In een eerste fase lukte dit niet bij Craxi en de PSI ten tijde van de ‘Grote Hervormingen’, later leek dit beter te werken met Bossi en de Lega Nord. De voorbeelden die ons de geschiedenis geeft, zijn nochtans zeer duidelijk: de sprong van de theorie naar de praktijk eindigt heel dikwijls op een ramp. Het traject is bijna steeds hetzelfde: van frustratie naar desillusie.

Vijftig jaar onderricht

Wat er ook van zij, Miglio heeft ons gewoon gemaakt aan provocaties. Steeds gevarieerde provocaties en sterk verschillend van zijn recentste activiteiten als parlementair en politiek leider. In twee volumes van zorgvuldig uitgekozen bijdragen, die op initiatief van enkele van zijn leerlingen in 1988 verschenen (1), had hij ons een zeer exacte idee gegeven van zijn theoretische studies, van de omvang en de verscheidenheid van zijn interesses, van de originaliteit van zijn onderzoekingsmethode. Tezelfdertijd vroegen zijn leerlingen naar een kritische kadering van zijn verschillende bijdragen tot de Italiaanse politicologie. Na meer dan vijftig jaar actief te zijn geweest op de Italiaanse culturele Bühne maakte Miglio ook reeds het onderwerp uit van kritische, diepgravende studies. Het is een zeer merkwaardig fenomeen, als men het universitair respect kent dat steeds zijn theoretische activiteiten omringde, ondanks het feit dat hij steeds rond zich een uitgebreide groep leerlingen en bewonderaars heeft gehad, die bekend en ingewerkt waren in de universitaire structuren. Miglio die een wetenschapper was van een zeldzame eruditie en met een onweerlegbare competentie, werd beschouwd als een van de meest briljante geesten van de naoorlogse periode, een vernieuwer en een voorloper in vele domeinen, van de administratieve wetenschappen tot de zuivere politicologie, van de geschiedenis van de politieke doctrines tot de theorie van de instituties. Ze dichtten hem ook allen grote organisatorische talenten toe in het domein van de cultuur. Vriend en vijand beschouwden hem als de een van de laatste en vandaag waarschijnlijk als een van de meest representatieve vertegenwoordigers van de “realistische” traditie van de politieke analyse, een erfgenaam dus en voortzetter van Mosca, Pareto en Michels. Samenvattend was Miglio het voorwerp van zoveel waardering dat men heeft moeten wachten – het klinkt onwaarschijnlijk, maar het is de waarheid – tot zijn zeventigste verjaardag (hij is in Como in 1917 geboren), vooraleer men een eerste kritisch werk over zijn universitaire activiteiten van grote omvang gepubliceerd zag waaraan bijna al zijn leerlingen aan hebben meegewerkt (Pierangelo Schiera, Lorenzo Ornaghi, Giuliana Nobili) en waar alle onderzoekers van de verschillende disciplines uit zijn rijk oeuvre hebben geput en gewerkt in een soort van ‘kruisbestuiving’: van Nicola Matteucci tot Carlo Galli, van Cinzio Violante tot Angelo Panebianco en Mario Tronti.

De verslagen van dit colloquium, dat in Milaan plaatsgreep in oktober 1988, verschenen onder de vorm van een boek onder de titel Multiformità ed unità della politica, onder de dubbele leiding van Lorenzo Ornaghi en Alessandro Vitale. Het werk bevestigde het oordeel dat men meestal velde over het oeuvre van Gianfranco Miglio (2), maar dit keer voegden de auteurs kritische voetnoten toe, aangevuld met de meest nuttige interpretatieschema’s. Intussen is het dus mogelijk om een balans op te maken van het werk en de studies van Miglio.

Een werk in drie fasen

De historische en theoretische analyse van het werk van Miglio heeft zich in drie fasen ontwikkeld. De eerste wordt gekenmerkt door een onderzoek gefocust vooral op de politieke doctrines. Na een eerste cyclus van internationale rechtsstudies te hebben voltooid, heeft Miglio zijn aandacht vooral gericht op Marcillus van Padua, een “positivist ante litteram” (3), een tegenstander van het middeleeuws christelijke universalisme en theoreticus van het staatse particularisme.

Verder interesseert Miglio zich voor de ontwikkeling van de monocratische macht in de Griekse en Helleense politieke systemen (in een perspectief dat trouwens sterk gekleurd is door Max Weber). Deze eerste fase vindt een symbolische conclusie in de openingsles van december 1964 naar aanleiding van de opening van het academisch jaar van de katholieke universiteit van Milaan, De transformaties van het huidige politieke systeem. De les is één grote radicale poging om een systeem uit te werken van alle veranderingen die het Italiaanse politieke systeem hebben aangetast in de eerste decennia van het nieuwe constitutionele regime. De diagnose van het essay, dat voorwerp zou worden van de bitterste controverse ten tijde van de publicatie, buigt zich vooral over de fasen van demobilisatie die het representatief regime gekenmerkt hebben, en dan vooral in de “rechtsstaat”. Na zovele jaren herinnert Miglio zich nog levendig: “Ik heb alle aandacht geconcentreerd op de groeiende ontsporing die men kon vaststellen in het echte functioneren van de instituties ten opzichte van het model van de vertegenwoordigende en gekozen rechtsstaat, waaraan dit functioneren eigenlijk moest beantwoorden, en ik heb de inbreuken, de nalatigheden, de botsingen, in totaal heb ik alle illegale gedragingen beschreven, die zich voor de ogen van ons allen afspeelden (…) En in mijn conclusie (…) heb ik de hypothese naar voor geschoven dat het systeem zich ten gevolge van alle wijzigingen heeft veranderd in een ander regime. Op een veel prikkelender manier heb ik de theorie uitgelegd van een “noodzakelijk” alternatief dat zich zou situeren tussen de ‘zuivere’ parlementaire regimes (zoals het onze) en de hedendaagse charismatische dictaturen” (4).

De mechanismen van de administratie bestuderen

Grosso modo liep de tweede fase gelijk met de jaren 1960-1970, wanneer Miglio zich over de problemen van de administratie en de geschiedenis van de administratie. Gevraagd naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de stichting van de Italiaanse nationale staat en naar aanleiding van de debatten over allerlei juridische, economische en sociale aspecten inzake de administratieve eenheid van het land startte Gianfranco Miglio een serie onderzoeken die hem uiteindelijk ertoe zullen brengen om in 1961 in Milaan de Fondazione italiana per la storia administrativa (FISA) op te richten. De keuze van de methode die aan de basis lag van deze tweede levensfase van de onderzoeker was gebaseerd op de noodzaak om het systeem van de machten te beschrijven vanaf de grond, vanaf de bodem, vanaf de onderste trede, te vertrekken dus van de laagste niveaus van een politiek systeem, wat erop neerkomt te beginnen bij de administratie.

De derde fase tenslotte, die ook het meeste met de politicologie te maken heeft, is ook diegene waarin Miglio preciezer de theoretische en methodologische bases van zijn werk heeft verduidelijkt, bijvoorbeeld doorheen het collectief project van onderzoeken dat zich in een bepaalde zin zijn neerslag heeft gevonden in de collectie Arcana Imperii, de “Arcanes van het Rijk” (of van de “Macht”), een prestigieuze reeks boeken over de meest onvergankelijke politieke doctrines van de gehele ideeëngeschiedenis. Voor Miglio, die zich voortaan wijdt aan de studie van de “regelmatigheden” van de politieke actie, is de uitdaging die de moderne politieke regimes en de veranderingen die ze kenmerken, aan de politieke wetenschap stellen, zeer radicaal. Naar zijn mening is het trouwens tijd om de concepten te herzien, de analytische categorieën, de institutionele “figuren” die gedurende eeuwen de politieke geschiedenis van het Westen hebben gekenmerkt en de Europese traditie van de wetenschappelijke analyse van het politiek fenomeen.

Het is klaar dat een zo vermetel werkplan zich niet gemakkelijk laat samenvatten. Temeer omdat, zoals Miglio zelf zei, alles wat hij tot op vandaag (bedoeld is 1993, wanneer deze tekst werd geschreven door Dottore Alessandro Campi, n.v.d.r.) heeft geschreven en gepubliceerd, moet beschouwd worden als een proloog op zijn Lessen van de pure politiek, waarin hij tenslotte de grote lijnen, zo compleet en zo organisch mogelijk, zal trekken van zijn Algemene Theorie van de Politiek. Tot dan toe had de Lombardische politicoloog slechts enkele glossen en anticipaties op papier gezet.

Om toch een idee te geven van de politicologische uitdaging die Gianfranco Miglio voor ons uittekent, is het misschien toegestaan om enkele sleutelthema’s aan te dragen, die zijn studies en zijn onderzoeksmethode kenmerken. Wij zullen ons in volgorde tot de volgende beperken: 1) het probleem van de staat, 2) de paradox die vervat zit in de notie van ‘politieke vertegenwoordiging’, 3) de ‘contradicties’ van het “integraal parlementair” systeem, en 4) het thema van de partij en een analyse van het fenomeen van de partitocratie.

1. De Staat

Wat het thema van de staat betreft, beroept Gianfranco Miglio zich min of meer expliciet op de filosofische ideeën van mensen als Max Weber, Carl Schmitt, Julien Freund. Weber was de eerst die het historisch bepaald en cultureel tot Europa gelimiteerd karakter van de politieke vorm die de staat eigenlijk uitmaakt, heeft herkend. Van zijn kant heeft Carl Schmitt de staat één van de mogelijke uitdrukkingsvormen van de politiek genoemd, en een van de meest verheven uitdrukkingen van het Europees rationalisme. Freund tenslotte heeft de relativerende definitie van de vormen van de politiek tot in de verste consequenties geleid, door de staat meer en meer los te koppelen van de realiteit van de politiek. Julien Freund schreef inderdaad: “Onder ‘staat’ verstaan wij (…) het type van de politieke eenheid die onafhankelijke landen – vanaf de 16de eeuw en de een na de andere - in de meerderheid van de gevallen hebben aangenomen. Daardoor betreft het de moderne politieke eenheid, die verschilt van de vroegere politieke eenheden, zoals de Oosterse rijken, de Griekse steden of de feodale koninkrijken van Middeleeuwen (…). De staat is een historische creatie, waarvan de oorsprong teruggaat tot het begin van de Renaissance. Net als alle andere historische scheppingen kan ook zij verdwijnen. De staat is niet eeuwig, en een andere vorm van politieke eenheid zou ze kunnen vervangen, zoals dat is gebeurd met het feodale systeem” (5).

Miglio die een belangrijk essay heeft gewijd aan de historische evolutie van de term en van het concept ‘staat’(6), deelt hetzelfde rooster van lectuur. De ‘staat’, begrepen als specifieke moderne vorm van organisatie van macht, ontstaat met het doel de burgerlijke onenigheden die verbonden waren met de godsdiensttwisten van de 16de eeuw, te ‘neutraliseren’ en in te binden. In het begin wilde de staat zich gewoon voorstellen als een ‘neutrale’ en ‘onpartijdige’ ruimte, ‘tendentieel’ niet politiek en in staat om de politieke strijd te reguleren en aan allen “veiligheid, duidelijkheid, begrip en vrede” te garanderen (aldus Schmitt). De staat wilde echter ook vanaf het begin het monopolie van de politiek, d.w.z. van de soevereiniteit en van de macht tot beslissen, die hiermee samenhangt. Miglio roept in de herinnering het beeld van Nietzsche van de staat als “koudste monster”. Aan de ene kant herinnert Miglio aan de ambitie van de staat om zichzelf voor te stellen als superieure, neutrale waarheid, wat erop neerkomt zich als “juridische orde” voor te stellen, net als de technische sfeer van een onpartijdige administratie van burgerlijke activiteiten. In één woord, daar zien we al de trend naar een depolitisering dagen. Aan de andere kant herinnert Miglio eraan dat de staat als politiek fenomeen ook een polemische, agregatieve en conflictuele logica kent. Deze logica ondermijnt de eenheid, die deze staatssynthese is, omdat ze tezelfdertijd de nieuwe samenstelling van steeds nieuwe strijdvelden mogelijk maakt en het opnieuw activeren van allerlei ideologische en politieke confrontaties, die niet assimileerbaar zijn aan de interne logica die gesuggereerd werd door de normatieve en juridische denkrichting.

Normaliteit of uitzondering?

Zo schrijft Miglio: “De moderne staat als rechtsstaat is een constructie die volledig op het contract berust en die zich daardoor in het niet-politieke veld van de ‘privé’ situeert. In zijn essentie en in zijn verschillende historische figuren is de staat een geheel van diensten, prestaties, een gigantisch complex van contractuele betrekkingen (…) De moderne staat is synoniem van ‘normaliteit’: geheel de organisatie werkt in een externe, exterieure zone ten opzichte van het politieke pact. Haar machten zijn reglementaire en regelmatige machten, anders uitgedrukt: ‘ordinaire’ machten” (7).

Dit citaat toont ons de antinomie die Miglio als motto plaatst door haar te beschouwen als een samenstellend deel van de synthese die de staat is: het is de antinomie die de logica van het politieke pact plaatst tegenover de logica van het contract-uitwisseling; die de politieke plicht (gebaseerd op de band van de trouw van de stam en op de band van bescherming) plaatst tegenover de juridische verplichting (gebaseerd op de ontmoeting tussen verschillende individuele vrije wilsbeschikkingen) (8). De politiek, aldus Miglio, kan nooit de totale, de volledige oplossing vinden in het recht. Het verlies door de staat van het monopolie van de ‘politiciteit’, de uitbreiding van conflictterreinen, de toename van intensiteit van gewapende confrontaties binnenin de staat (politiek extremisme en het fenomeen van het terrorisme) zijn evenveel tekenen die ons toelaten te poneren dat de staat gefaald heeft in haar belangrijkste doelstelling: conform aan de criteria van het Europees rationalisme erin slagen om eens en voor altijd de politiek te temmen en elk potentieel conflict in het kalme spel van de dialectische confrontatie op te lossen. Voor professor Miglio is het een evidentie dat de ondergang van deze “utopie” samengaat met de ondergang van de ideologieën (in het bijzonder het liberalisme) en van de instituties (in het bijzonder dat van het parlementarisme), die er de intellectuele onderbouw van waren en de institutionele uitdrukking.

2. De politieke vertegenwoordiging

De inmengingen van ‘privé-‘structuren in de openbare sfeer, evenals de groei in intensiteit van het contrast tussen “politiek” (besluitvorming) en “recht” (privatisme, subjectivisme, en partijdige belangen) zijn volgens de stellingen van Miglio elementen die toelaten het huidige systeem van de politieke vertegenwoordiging te meten en te analyseren. Ook in dit geval vinden we een element van antinomie terug, dat overigens zeer duidelijk en sinds altijd in de ogen van de theoretici van de politiek duidelijk bestond: de vertegenwoordiging moet niet alleen de ruimte van de subjectieve belangen betreffen, en kan dus niet enkel en alleen het simpele juridische kleed van het mandaat dragen.

In dat verband schrijft Miglio: “Het mandaat van de vertegenwoordiging van een volk is pure fictie: terwijl de verhouding authentiek en concreet was in de vertegenwoordiging door de staten, wat zich dan vertaalde in een imperatief mandaat (…), bleef de échte ‘vertegenwoordiging’ levendig in wat we het belang van de partijen zouden noemen, en in het bijzonder daar waar een strikte controle van het karakter van de “imperativiteit” mogelijk is” (9).

Historisch drukt de vertegenwoordiging zich uit in een lange reeks van private figuren, die tot doel hebben om in de loop van een contract of een prestatie de afwezige de kans te geven in alle gelijkheid zijn wil uit te drukken, om zijn eigen belangen duidelijk te maken en te verdedigen. Dat gebeurt middels veelvuldige figuren van “afgevaardigden” tot de figuur van de meer klassieke “procureur”. Het politiek probleem dat verbonden is met de vertegenwoordiging, heeft niets te maken met de vertegenwoordiging van een vage of algemene afwezige, maar wel met die van een massa, een collectiviteit. Men zou zich perfect een akte van delegatie kunnen voorstellen, aldus Miglio, gerealiseerd door het volk zelf ten voordele van het parlement, dat op die manier de wetgevende macht verkrijgt. Opdat het volk zich echt als een delegerend orgaan gedraagt, moet het zich natuurlijk eerst wel als dusdanig vormt, constitueert, zeker als men het gezegde voor waar houdt dat “delegatie een akte is van een orgaan dat zijn eigen bevoegdheid, geheel of ten dele, doorgeeft aan een ander orgaan” (10).

Maar het volk dat zich politiek organiseert, kan zijn fundament niet vinden in het enkel feit van de delegatie. Een ‘totaliteit’ (hier het volk) kan zich niet samenstellen als een delegerend orgaan ten voordele van een andere ‘totaliteit’, in ons geval het parlement, dat de belangen die op het spel staan, tot uitdrukking moet brengen. Delegatie is alleen toelaatbaar als som van individuele delegaties, of eerder van gedeelde delegaties of delegaties van ‘groepen’. Als gevolg daarvan “zijn de juridische privé-modellen (…) niet toepasbaar op het domein van de politiek, ondanks het feit dat dit dagelijks gebeurt” (11) – het is de logica zelve.

Deze voortdurende inmenging verergerde nog met de ontwikkeling en de bevestiging van het parlementair instituut. Geboren om zich tegen de macht van de monarch af te zetten en om steun te geven aan de ‘staten’, is het parlement, eens de monarchie uitgeschakeld, een plaats van compensatie geworden, waar de belangen van de partijen zich concentreerden, gekanaliseerd door het instrument dat de partij geworden was. Het parlement werd vooral een orgaan dat de soevereiniteit uitdrukt (hoewel het er nominaal geen titularis van is). Het is juist met de komst van het verkozen/vertegenwoordigend regime, d.w.z. met het parlementair regime, dat de interne tegenstellingen van de vertegenwoordiging meer te voorschijn kwamen, in die zin dat de loutere verhouding van ‘substitutie’, die zich aan de basis bevindt van de private vertegenwoordiging, “niet adequaat is bevonden om de natuur van de politieke vertegenwoordiging te ontplooien. Het parlement geeft dan blijk van een appreciatiecapaciteit door abstractie te maken van de particuliere ‘wilsbeschikkingen’, uitgedrukt door de vertegenwoordigende subjecten” (12).

Een fictie?

Men moet hieruit, in het licht van het concrete functioneren van de parlementen, besluiten dat men uit het systeem van de vertegenwoordiging niet logisch eender welk systeem van soevereiniteit kan afleiden en ook niet om de legitimiteit uit deze soevereine macht af te leiden. De politieke vertegenwoordiging, ontplooid in het belang van iedereen, is niets anders dan een handige fictie, zoals ook Burke scherp observerend had vastgesteld. Een “fictie” die niet meer in staat is om vandaag weerstand te bieden aan de sprongen van duizenden corporatismen, aan de druk van groepen en onderdelen, aan de druk van kliekjes. Als de politiek een ‘project’ is en erin bestaat om in de tijd de verdeling van dividenden die uit de ‘persoonlijke winst’ komt, uit te stellen, als ze collectieve identificatie is, een beslissing genomen in het belang van de gemeenschap, dan is de vertegenwoordigende actie in tegenstelling hiermee juist onmiddellijke bevrediging van eisen, stamt het uit het localisme, uit de koehandel tussen allerlei sociale groepen, uit de verdeling van politieke renten en economische voordeeltjes, werken die de vertegenwoordigers moeten volbrengen om hun eigen clientèle, hun vertegenwoordigden, op hun gemak te stellen.

Miglio besluit dat men – en dit niet enkel op het theoretische vlak – het onderscheid moet maken tussen de Staat en de Soeverein, tussen de vertegenwoordiging van belangen en de soevereine macht tot beslissingen. Het is een probleem dat Miglio in zijn werk heel sterk heeft gesynthetiseerd door het samen te vatten onder de term van ‘dubbele legitimatie’, of de legitimatie zonder (politieke) vertegenwoordiging.

3. Kritiek op het ‘integraal parlementarisme’

De kritiek van Gianfranco Miglio op het ‘integraal parlementarisme’ kleedt zich als een handige vernieling – van technisch oogpunt gezien – van de klassieke theorie van Kelsen, die, zoals bekend, ‘democratie’ en ‘parlement’ gelijkstelde. Het ‘integraal parlementair’ systeem, legt professor Miglio uit, produceert noodzakelijkerwijze onregeerbaarheid, en dit omwille van exact dezelfde redenen die Kelsen inriep om het parlementair instituut te verdedigen. Het is inderdaad juist dat het parlement zich structureel baseert op het ‘compromis’, maar in tegenstelling tot de thesen van Kelsen leidt het compromis bij Miglio niet tot harmonie, verantwoordelijkheid, consensus, ‘het weggoochelen van wat verdeelt, ten voordele van wat verenigt’ (11), juist het tegenovergesteld.

“Als het compromis dient om ‘wat verenigt’ duidelijk te onderstrepen, is het compleet nutteloos, omdat over ‘wat verenigt’ juist unanimiteit bestaat. Een compromis zoeken, een bemiddeling, wil zeggen zoeken of de meerderheid, door zelf haar (legitieme) pretenties terug te dringen, de minderheid kan overtuigen om toe te geven zonder te vechten. Maar de meerderheid (de partij die sowieso de sterkste is) zal slechts tot de idee van het compromis komen als ze niet heel zeker is van haar eigen cohesie en haar redenen (dit wil zeggen dat ze zich niet ‘de sterkste’ voelt), dus wanneer ze eigenlijk zelf niet echt meer meerderheid is. Normaal gezien betekent ‘verbergen wat verdeelt’, elke keuzemogelijkheid en elke actiemogelijkheid verhullen. Het is de unanimiteit inzake de beslissing om niets te doen, die zich vormt, omdat elke beslissing de ene bevoordeelt en de andere nadeel bezorgt. In de politiek bestaan daden, die iedereen aangenaam zijn, niet” (13).

Verschillende rationaliteiten

Algemeen gesteld is het ‘compromis’ niet de (logische en institutionele) wortel of basis elke regeringsdaad. Daarom maken de bemiddeling noch de unanimiteit het ultieme doel uit van de parlementaire actie. Uit deze premissen volgen verschillende gevolgtrekkingen. Voor Miglio zijn de twee belangrijkste de volgende: een parlement dat zich (nominaal) steunt op de consensus van allen (in werkelijkheid op de hegemonie van de meerderheidspartij(en)) is niet de politieke uitdrukking van de ‘soevereine’ wil van het volk. Het is er wel de sociaal-economische reflectie van. Maar politiek is eenheid, overeenstemming over de ultieme doelstellingen en niet conflict tussen deelbelangen. “Het parlement kan niet tezelfdertijd het volk vertegenwoordigen en op directe manier een politieke regering produceren. De twee activiteiten, ‘vertegenwoordigen’ en ‘regeren’ beantwoorden aan twee verschillende rationaliteiten. In het eerste geval, dat van de vertegenwoordiging, zou men inderdaad kunnen toegeven dat “een keuze beter wordt naargelang ze met een maximum van belangen overeenkomt” (14). Daaruit kan men akkoord gaan met de stelling dat het ‘parlementair compromis’ een institutionele variante is van de ‘juridische activiteit’ of een omzetting van het contract-ruil, waarin “vertegenwoordigers van twee of meer georganiseerde belangen (als ze niet tenminste georganiseerd waren, zouden ze ook geen vertegenwoordigers hebben) wederzijdse prestaties uitwisselen: de enen aanvaarden om de projecten van de andere te steunen (te stemmen voor) in ruil voor een analoge en wederzijdse daad, om op die manier noodzakelijke meerderheden samen te stellen om zo het ene en het andere verzoek te doen slagen” (15).

In het tweede geval, dat van het functioneren van een regering, is de ‘rationaliteit’ die men in beschouwing moet nemen, diegene die voorafgaat aan het proces van de politieke ‘besluitvorming’. Die kenmerkt zich in de eerste plaats door de impliciete aanwezigheid van een teleologie: de beslissing heeft een doel, gericht op het bereiken van een actueel niet bestaande situatie. “De rationaliteit van een ‘norm-beslissing’ bestaat in de eerste plaats in een functionaliteit van maatregelen die vooraf genomen worden om een bepaald (verklaard of impliciet) doel te bereiken”, schrijft Miglio (16). De functionaliteit van een politieke beslissing volgt niet uit de ontmoeting van verschillende ‘partijen’, maar uit de graad van samenloop en homogeniteit die de beslissing in zich heeft, in de zin van doelstelling die ze heeft gekozen. Deze coherentie is maximaal als één enkele persoon de beslissing neemt, het doel vastlegt en de middelen bepaalt om er te komen. Of ook in het geval van een beperkte groep van personen.

Facultativiteit van het contract, noodzaak van de beslissing

Het verschil tussen de twee ‘rationaliteiten’ – die onweerstaanbaar zowel functionele als institutionele verschillen in herinnering brengen, die eigenlijk niets anders zijn dan verschillende uiterlijke gedaanten van de tegenstelling die we reeds hebben opgeroepen: deze tussen ‘contract-ruil’ en ‘politiek pact’ – drukt zich ook uit in een andere tegenstelling: terwijl het ‘contract-ruil’ facultatief van aard is, is de politieke daad (de soevereine beslissing) een noodzakelijke daad.

Daarover schrijft Miglio: “’Beslissen’ in de politiek is geen gedrag dat men toevallig als keuze neemt. Inderdaad, wie de macht heeft gekregen, kan zichzelf niet mee vrijstellen van het regeren, en wat meer is, zijn ‘daad’ bekleedt, door de verplichting om het spel van de politiek te spelen, een dominante rol omdat ze de politiek echt autonoom maakt tegenover elke rechtvaardiging die met vertraging wordt gegeven. De particulier kan ervan afzien om te beslissen (en om een contract inderdaad af te sluiten) omdat deze gedraging alleen zijn particuliere belangen betreft. Daartegenover moet hij die de legitieme macht heeft, wel degelijk beslissen, omdat als hij hiervan afziet om te ‘beslissen’ (door inertie of nalatigheid) dit zich zal vertalen in een nadeel voor derden en in verlies van zijn eigen legitimiteit” (17).

Deze tekst zet goed de contradictie in de verf die aan het functioneren van het integraal parlementair systeem voorafgaat. Miglio komt op deze contradictie in de volgende termen terug: “…De tegenstelling is duidelijk die gangbaar is tussen de logische structuren die resp. voorafgaan aan het ‘compromis’ en aan de ‘beslissing’. Het is alleen in zeldzame gevallen dat de ‘rationaliteit’ van het compromis kan samengaan met de pertinentie in de relatie met het (gekozen) doel, die de beslissing kenmerkt. Als een parlement echt representatief is, als het samengesteld is uit mensen die in alle samenhang de verschillende belangen van de vertegenwoordigende partijen in het land ‘dragen’, dan betekent het feit dat men verwacht dat uit het ‘compromis’ onder alle partijen, een ‘beslissing’ groeit, en alleen uit dit type van onderhandeling, en dat er dus een rationele ‘regeringsdaad’ uit ontstaat, betekent te onderstellen dat er zich een gebeurtenis voordoet die in alle logica niet kan worden afgeleid van deze premissen, wat hoogst onwaarschijnlijk is” (18).

4. De aard van de politieke partij

In zijn essay van 1967 vraagt Gianfranco Miglio zich af wat de echte natuur is van de moderne politieke partij, en hij noteert daarover: “De politieke partij is zonder twijfel een typische institutie van de laatste fase van het ontwikkelingstype van ordening dat we gewoon zijn te omschrijven als ‘de moderne staat’ en dus van de ‘representatief/electieve staat’. De politieke partij verschijnt in essentie als een instrument van de organisatie van de politieke clientèle, met als doelstelling de strijd om de macht tussen verschillende partijen van de politieke klasse” (19).

De benadering van Miglio is van het historische en conceptuele type. Hij analyseert indirect de essentiële zaken, de ultieme logica van het politiek gedrag en de ritmes van de grote institutionele ‘hervormingen. Dat verklaart wellicht de ogenschijnlijke ruwheid van zijn overgangen, die beroep doen op de logica. In realiteit biedt zijn opzoekingsmethode wel een voordeel: hij slaagt erin om de evidentie aan te tonen van de oorsprong van bepaalde institutionele vormen van sommige ‘politieke formules’. Hij past effectief deze methode toe op zijn analyse van de politieke partij. Het is niet voor niets dat hij het moderne ‘specifieke’ benadrukt, het bestaan van een (structurele) ‘institutionele onveranderbaarheid’ en de indirecte band onderstreept die haar bindt met het ‘electief/representatief’ systeem. In tegenstelling met andere, zoals de historisch/juridische of sociologisch/functionalistische, laat deze benadering toe om de politieke partij logisch te situeren in het kader van de gehelen van machten en instituties die de ‘moderne’ politieke systemen kenmerken.

Miglio gaat voor de stelling dat
1) de partij zich logischerwijze bevindt in een situatie van ‘onherleidbare antithese’ met de staat en
2) dat de partij historisch gezien de ‘vernietiger’ en evengoed de ‘erfgenaam’ is van de ‘moderne staat’ (20).

Deze twee stellingen zijn met elkaar verbonden. Denken we in dit verband maar hoe onweerstaanbaar de verwevenheid is van aan de ene kant het mechanisme van de verplichting om het politieke spel mee te spelen (waarvan de samenstellende delen de ‘uniciteit’ en de ‘uitsluitendheid’ zijn, beiden belichaamd in de vorm ‘staat’) en aan de andere kant het mechanisme van de vorming van corporatieve/professionele groepen tot grotere, complexe gehelen. En als men in de beginne een zeer klaar onderscheid maakte tussen deze twee functies, dan is men geleidelijk aan geëvolueerd naar een complexe vermenging van beiden. Op dit niveau, zegt Miglio, zijn de grote omwentelingen, die werden ingezet door de industriële revolutie, van beslissend belang geweest. Ten tijde van Burke was het nog mogelijk dat een minderheid van aristocraten en notabelen de controle over het parlement kon toe-eigenen en op die manier een ‘virtuele’ vertegenwoordiging van de (nog zwak georganiseerde) burgerlijke samenleving kon opzetten. Met de ontwikkeling van nieuwe associatieve relaties, die ontstonden in de nasleep van de industriële revolutie, onderging het klassieke politieke kader een snelle omwenteling: de partijen doen hun intrede in de parlementen en stellen zich als de woordvoerder van hun clientèles, van de groep die zich met haar identificeert en er een instrument in ziet die op termijn hun sociale promotie verzekert en hun persoonlijke rijkdommen zal doen aangroeien. Toetreden tot een politieke partij en haar programma betekent eveneens het zien ontstaan van een ganse reeks nieuwe relaties en banden die niet uitsluitend het sfeertje van economische belangen oproepen, maar ook een ideologie, een strijdprogramma, een militante actie. We mogen niet vergeten dat het netwerk van deze relaties ook automatisch de idee doet rijpen (zelfs maar impliciet) dat deze verplichte band ipso facto leidt tot het verlenen van prebenden en materiële voordelen. De loyaliteit en de trouw gaan niet meer uit naar de staat, maar naar de partij. Wat een historische dynamiek op gang brengt, die tot op vandaag haar werking heeft, waar de bundeling van partijdige belangen meer en meer wordt begunstigd, waar het politieke particularisme regeert net als de relatie van het type van herder, die de chef met de clientèle verbindt.

Partitocratische subversie van de openbare administratie

Volgens Miglio is het zwaarste gevolg van de dwaling van de band van ‘politieke verplichting’ – die de soevereine autoriteit doorgeeft aan de georganiseerde groep – de beroering die ze uitlokt in de logica van de activiteiten van de openbare administratie. Want het is in deze beroering dat het fenomeen van de partitocratie wortel schiet. Men denkt onmiddellijk aan het ontstaan van ‘administratieve kliekjes’. Miglio noteert: “De zege van een vastbesloten politieke partij (…) wordt onmiddellijk gevolgd door het bezetten van de beslissingsposten door mensen die tot dezelfde partij behoren of die eraan verbonden zijn (…). Een operatie die plaatsvindt ten dele om de trouwen te belonen door sociale voordelen en een politiek dividend (dit wil zeggen verleend om het natuurlijk doel van de politieke verplichting te realiseren) en voor een ander deel om de daden van de regering, die hieruit zullen volgen, en die door dezelfde politieke partij zal gedragen worden, te garanderen” (21).

In feite kan de zegevierende partij zich niet tevreden stellen met de steun van de ‘professionele dienaars van de openbare administratie’ – vooral om reden van de natuurlijke instabiliteit van democratisch/electieve regimes, want bij elke raadpleging is er het potentiële risico om alle voordelen te verliezen en het daarmee samenhangend deel van de macht – omdat deze dienaars gebonden zijn aan de staat door een eed van trouw. Dit is de reden waarom de partijen van mening zijn dat er een ‘wisselplaats’ in het administratief personeel nodig is, een ‘wisseling’ die bij voorkeur plaatsgrijpt onder diegenen die met de partij verbonden zijn. De bezetting van elk vitaal niveau is een gevolg van de profilering van de sociale groepen, is een gevolg van het dominerende polycentrisme, van de vermindering van de soevereine functie. De staat vandaag, legt Miglio uit, wordt teruggebracht tot een pure scheidsrechterlijke functie. Het is voortaan nog amper meer dan een nominale autoriteit, want “ontdaan van elke autonome, co-actieve macht en van elk regeringsinitiatief dient (deze nominale autoriteit) enkel nog op heilzame manier als bemiddelaar in conflicten die machtige particuliere corporaties tegen elkaar opzetten” (22).

We moeten ons alleen nog afvragen of op basis van deze redenering het politiek particularisme, waarvan de partijen volgens Miglio de uitdrukking zijn, niet zal eindigen in een vernietiging van de partijen zelf, zoals recente analyses van de ‘courante fenomenen als de Lega’s en de burgerinitiatieven lijken aan te geven. Om op dit eventueel risico, dat de partitocratie bedreigt, te antwoorden, dacht Miglio – in de lijn van zijn recentste essays – dat er een terugkeer zal gebeuren naar de plebiscitaire politieke modellen, naar ‘directionele’ en consiliaire technieken van regering, naar vormen van rekrutering van leidend politiek personeel, gebaseerd op ‘coöptatie’, zonder de effecten die elektronica (en informatica) zou kunnen hebben op electorale procedures te verwaarlozen, en de praktijken van democratische legitimatie van de soevereine autoriteit.

(vertaling: Peter Logghe)

Voetnoten

(*) Gianfranco Miglio werd geboren in Como in 1918 en overleed in 2001. Hij behaalde zijn diploma Rechten aan de Katholieke universiteit van Milaan in 1940. In 1948 begon hij geschiedenis te doceren aan dezelfde universiteit, vooraleer hij in 1959 rector werd. Hij bleef er rector tot in 1988 en ging toen met pensioen. In 1992 werd hij tot senator gekozen voor de Lega Nord. Hij werd opnieuw gekozen in maart 1994. Voor meer details: Ferrari, G., Gianfranco Miglio, Storia di un Giacobino Nordista, 1993, Uitg. Liber, Milaan.

(1) Miglio, G., Le Regolarità della Politica. Scritti Scelti Raccolti e Publicati dagli Allievi, 2 vol., Uitg. Giuffré, Milaan 1988. De collectie bevat ook bepaalde ongepubliceerde Considerazioni Retrospettive, bedoeld om de “genese en innerlijke ontwikkeling” van zijn werk duidelijker te maken. Miglio is geen veelschrijver. Hij heeft zelfs eerder weinig geschreven – steeds korte essays of bijdragen of voordrachten voor symposia of conferenties. Bijvoorbeeld een essay van 1980, Beyond Schmitt, waarin Miglio zijn schuld aan Schmitt uitklaart en uitleg verstrekt over de onoverbrugbare tegenstelling tussen politieke en contractuele verplichting. De ganse politieke theorie van Miglio draait eigenlijk rond deze elementaire tegenstelling.
(2) De bijdragen voor deze conferentie werden verzameld en uitgegeven door Ornaghi, L. en Vitale, A., Multiformità ed Unità della Politica, Uitg. Giuffré, Milaan, 1992
(3) Miglio, G., Le Regolarità della Politica. Scritti Scelti Raccolti e Publicati dagli Allievi. Miglio heeft twee esaays gewijd aan Marsilius van Padua, La Crisi del’Universalismo Politico Mediovale e la Formazione Ideologica del Particularismo Statuale Moderno (1942) en Quistioni Marsiliane (1946).
(4) Miglio, G., Le Regolarità della Politica, op. cit., vol. I
(5) Freund, J., La Crisi dello Stato, in Trasgressioni, nr. 5, sept.-dec. 1987, pag. 95-96
(6) Miglio, G., Genesi e Trasformazione del Termine-Concetto ‘Stato’, in Le Regolarità della Politica, op. cit., vol. II.
(7) Miglio, G., Oltre Schmitt (1980) in Le Regolarità della Politica, op. cit., vol. II
(8) Miglio, G., Oltre Schmitt (1980) in Le Regolarità della Politica, op. cit., vol. II
(9) Miglio, G., Le Trasformazioni del Concetto di Rappresentanza (1984), in Le Regolarità della Politica, op. cit., vol. II.
(10) Ibid.,
(11) Ibid.,
(12) Hiervoor zie de anthologie van Hans Kelsen, Il Primato del Parlamento, Uitg. Giuffré, Milaan, 1982, waar hij in een essay van 1925 schrijft: “Het is waar dat democratie en parlementarisme niet gelijk zijn en dat een democratie zonder parlement (de zogenaamde directe democratie) mogelijk is. Maar in een moderne staat is deze vorm van democratie, de vorming dus van de wil van de staat in een vergadering van het volk) niet praktisch is. Het is onmogelijk om ernstig te twijfelen dat parlementarisme de enige echte mogelijke vorm is waarin de democratische idee in de hedendaagse sociale context kan worden gerealiseerd. Daarom is het lot van democratie gebonden aan dat van het parlementarisme”.
(13) Miglio, G., Il Mito della ‘Constituzione senza Sovrano’, in Le Regolarità della Politica, op. cit., vol. II.
(14) Miglio, G., Le Contradizioni Interne des Sistema Parlamentare-Integrale, in Le Regolarità della Politica, op. cit., vol. II.
(15) Ibid.
(16) Ibid.
(17) Ibid.
(18) Ibid.
(19) Miglio, G., Il Ruolo del Partito della Trasformazione del Tipo di Ordinamento Politico Vigente. Il Punto di Vesta della Scienza della Politica, in Le Regolarità della Politica, vol. I
(20) Ibid.,
(21) Ibid.,
(22) Ibid.,


sluit dit venster